Digitale vogelgids Houtribhoogte

  • aalscholver
    aalscholver
    aalscholver

    aalscholver
    / phalacrocorax carbo /

    Algemeen voorkomende watervogel. Lengte: 77 tot 94 cm. Spanwijdte: 120 tot 150 cm. Periode: het hele jaar door te zien.

    De veren zijn zwart en de keel en wangen wit.'s Zomers zie je een witte dijvlek en witte veren op de kop. Aan de bovenzijde van de snavel zie je een haakvormige punt. Tijdens het zwemmen ligt de vogel diep in het water terwijl de kop schuin omhoog wordt gehouden. Het voedsel bestaat voornamelijk uit vis (ca. een pond per dag), welke de aalscholver duikend vangt. De vogel heeft geen waterdicht verenkleed en wordt nat tot op de huid. Daarom zie je ze regelmatig met gespreide vleugels hun veren laten drogen.

  • thumbnail appelvink
    appelvink
    appelvink

    appelvink
    / coccothraustes coccothraustes /

    Algemeen voorkomende vink die het hele jaar door in Nederland is te zien. Lengte: 16,5 tot 18 cm.

    Broedt in loof- en gemengd bos. Aangetrokken tot fruitbomen, vooral kersenbomen. Hij kan met zijn zware snavel kersenpitten kraken! (daarbij een kracht van 50 kg genererend) Eet ook graag insecten. Zeer waakzaam en schuw en moeilijk te observeren. Brengt veel tijd door in boomkruinen. Nogal grote vink met zeer kenmerkende proporties: zeer krachtige driehoekige snavel, grote kop en dikke hals, maar korte staart. Verenkleed overwegend roestbruin en beigebruin met zwarte, witte en grijze versieringen. Snavel 's zomers zwart en 's winters ivoorwit of licht geelbruin. Vleugels glanzend blauwzwart met witte band. Korte staart heeft een witte eindband.

  • thumbnail baardman
    baardman
    baardman

    baardman
    / panarus biarmicus /

    Algemeen in rietvelden. Lengte: 14 tot 15.5 cm. Periode: het hele jaar door te zien.

    De veren zijn voornamelijk kaneelbruin van kleur. Het mannetje heeft een lichtgrijze kop en onder het oog een zwarte snorstreep. De staart is lang en de snavel geel tot donkerbruin. Het vrouwtje heeft een aantal donkere rugstrepen. Het vrouwtje is minder opvallend gekleurd van het mannetje, maar is door de kaneelbruine kleur en de lange staart goed herkenbaar. De baardman is sterk afhankelijk van de aanwezigheid van uitgestrekte rietvelden.

  • thumbnail beflijster
    beflijster
    beflijster

    beflijster
    / turdus torquarus /

    Niet algemene doortrekker. Lengte: 24 tot 27 cm. Periode: april / mei – sept / okt.

    De veren van het mannetje zijn dofzwart met een witte halvemaanvormige borstband. Het vrouwtje is bruiner met een lichtbruine borstband. De vleugelveren hebben witte randen. Het is een in Nederland niet algemene doortrekker. De witte bef valt meteen op. De beflijsters in Nederland zijn vrijwel allemaal afkomstig uit noord Europa en Groot Brittannie. Ze zijn onderweg naar het overwintering gebied in het Middellandse zee gebied. Gespot op het open terrein achter Duinvoet.

  • thumbnail bergeend
    bergeend
    bergeend

    bergeend
    / tadorna tadorna /

    Lengte: 55 tot 65 cm.

    Kop en hals zijn zwart van kleur. De veren zijn wit met bruine en zwarte delen. Over de borst loopt een oranjebruine band. Een rode snavel die bij het mannetje is voorzien van een knobbel. Het is een grote eend, maar kleiner dan een gans. Voedsel bestaat uit kleine ongewervelde dieren, zoals slakken, wormen, kleine kreeftachtigen en insecten. Het zijn echte holbewoners en bouwt zijn nest vaak in onbewoonde konijnenholen. De Nederlandse populatie trekt in de winter weg, maar die wordt weer aangevuld door bergeenden uit het noorden, zodat ze het hele jaar te zien zijn.

  • bladkoning
    bladkoning
    bladkoning

    bladkoning
    / phylloscopus inornatus /

    Hele kleine zeldzame doortrekker. Lengte: 9 tot 10.5 cm. Periode: sept / okt.

    Bovenzijde is grijsgroen en de onderkant vuilwit. De poten zijn middelbruin. Lange zeer opvallende lichtgele wenkbrauwstreep boven een donkere oogstreep. Brede geelwitte vleugelstreep op de toppen van de grote dekveren en kortere minder opvallende tweede vleugelstreep op toppen van de middelste dekveren. Tegen de balustrade gevlogen aan de Duinvoet en naar beneden gedwarreld. Tot rust laten komen en binnen een kwartier weer vliegklaar!

  • blauwborst
    blauwborst
    blauwborst

    blauwborst
    / luscinia svecica /

    Broedt in moerasgebieden met elzen, wilgen en riet. Lengte: 13 tot 14 cm. Periode: april/september. Overwintert in Afrika en zuid Azie.

    Bovenkant is bruin en de onderkant is grijs. Zomerkleed mannetje: keel en borst helder blauw met daaronder een brede zwarte en een bruine borstband. Mannetje en vrouwtje hebben in de winter een witte keel. Basis van de staart is roestrood van kleur. De vogel doet denken aan de roodborst, maar de poten zijn iets langer. Het voedsel bestaat uit insecten en kleine vruchten. Zang ook vaak ‘s nachts te horen. Gespot omgeving Wetland.

  • blauwe reiger
    blauwe
    reiger
    blauwe reiger

    blauwe reiger
    / ardea cinereaardea cinerea /

    Algemeen aan sloot- en waterkanten. Lengte: 84 tot 102 cm. Spanwijdte: 155 tot 175 cm. Periode: het hele jaar door te zien.

    Broedt in kolonies in kruinen van oude bomen, vaak in parken, soms in riet of rotsen. Loert vaak lange tijd roerloos aan de waterkant op zoek naar vissen en amfibieen. In de vlucht altijd een ingetrokken hals. Krachtige rechte snavel is grijsgeel tot groenig, in de paartijd oranje. Vliegt vaak hoog en met langzame slagen en sterk gebogen vleugels.

  • boerenzwaluw
    boeren
    zwaluw
    boerenzwaluw

    boerenzwaluw
    / hirundo rustica /

    Algemeen voorkomende zomergast. Lengte: 18 tot 20 cm. Periode: van april tot oktober. Overwintert in Afrika.

    De boerenzwaluw heeft lange spitse vleugels en een diep gevorkte staart. De bovenkant is blauwglanzend zwart en de onderkant is beige wit, met blauwzwarte borstband. Donkerrode kin, keel en voorhoofd. Goede snelle vlieger. Nestelt in groten getale op de Batavia (schip).

  • bonte strandloper
    bonte
    strandloper
    bonte strandloper

    bonte strandloper
    / calidris alpina /

    Lengte: 17 tot 21 cm. Spanwijdte 32 tot 36 cm. Broedt in hoog- en laag gelegen gebieden in vochtige graslanden ( onregelmatig in Nederland) of in toendra. In trektijd en winter meest talrijke, kleine steltloper, aan te treffen in allerlei moeras- en kustgebieden, maar grootste aantallen op moddervlakten van getijdegebieden.

    Herkenning: Grootte ongeveer als van een spreeuw, met variabele snavellengte: kort en recht of lang en omlaag gebogen. Volwassen vogel in de zomer heeft een zwarte buikvlek, roodbruin op mantel- en schouderveren, met contrasterend lichtgrijs achterhoofd (bruinachtig bij het vrouwtje). In de winter een vrij saai kleed zonder duidelijke kenmerken, met egale bruingrijze bovendelen (met hele dunne witachtige randjes), vrij duidelijke begrensde lichtgrijze borstband contrasterend met witte buik en fijn gestreepte of helder witte flanken. Vrij egale kop met onduidelijke witte wenkbrauwstreep.

  • boomkruiper
    boom
    kruiper
    boomkruiper

    boomkruiper
    / certhia brachydactyla /

    Lengte: 12 - 13,5 cm. Vogel van bossen, parken, tuinen en boomrijke steden.

    Herkenning: bruin en wit gevlekte rugzijde, witte borst en bruinwitte onderzijde. Lichte wenkbrauwstreep. Relatief lange, dunne snavel die enigszins omlaag buigt. Rustig en onopvallend, omhoog kruipend met rukkende bewegingen langs stammen en dikke takken en verder vliegend naar de voet van een volgende boom.
    Waargenomen in het zuidelijke deel van Houtribhoogte, achter de woningen van Duinvoet.

  • boompieper
    boompieper
    boompieper

    boompieper
    / anthus trivialis /

    Lengte: 14 – 16 cm. Broedt in open bosgebieden, graag aan de rand van moerassen, in binnenduinen, heidevelden of kaalslagen; in gebergten tot aan de boomgrens. Zomergast ( van maart/ april tot oktober).

    Herkenning: lijkt veel op graspieper, maar heeft iets zwaardere snavel, markanter koppatroon en iets geprononceerdere wenkbrauwstreep en bredere, lichtere mondstreep. En aanduiding van donkere oogstreep. Onderdelen met meer contrast tussen warmbeige borst en witte buik, zware strepen op de borst en dunne strepen op de flanken. Mantel en rug meestal minder duidelijk, donker getekend dan bij graspieper. Van dichtbij is korte gekrompen achter-nagel soms zichtbaar. Poten en snavelbasis zijn roze. Iets zwaarder gebouwd dan graspieper, met iets directere vlucht, niet zo licht en niet zo “huppelend”. Vrij schuw en moeilijk te benaderen. Foerageert vaak op de grond maar vliegt bij verstoring vaak op om in een boom te gaan zitten. Vliegt in open terrein vaak verder weg dan graspieper. De zangvlucht is karakteristiek, vanuit een boom omhoog stijgend, om vervolgens als “parachute” met stijve vleugels te dalen om aan het einde van de vlucht met afhangende poten in een andere boom te landen. De op een tak zittende vogel maakt vaak ‘pompende’ neerwaartse bewegingen met de staart.

  • boomvalk
    boomvalk
    boomvalk

    boomvalk
    / falco subbuteo /

    Jaagt in snelle achtervolging of duikvluchten op insecten of kleine vogels. Lengte: 29 – 35 cm. Periode: zomergast van april tot september.

    Middelgrote valk met spitse vleugels en middellange recht afgesneden staart. Is door zijn snelheid en wendbaarheid in staat om zelfs gierzwaluwen in de lucht te vangen. Volwassen vogels zijn donkergrijs aan de bovenkant en hebben een witte onderkant met brede donkere lengtestrepen. Een witte keel en een baardstreep. Roestrode broek, anaal streek en onderstaart veren. Gespot in het open gebied achter de Duinvoet.

  • braamsluiper
    braam
    sluiper
    braamsluiper

    braamsluiper
    / sylvia curruca /

    Lengte: 11,5 – 12,5 cm. Broedt in open bosgebieden met open plekken, parken en tuinen in struiken en hagen. Zomergast (april - oktober). Overwintert in NO Afrika. Onopvallend in broedgebied en voornamelijk door zang vast te stellen. Nestelt in dicht struikgewas.

    Herkenning: kleine compacte vogel met vrij korte staart. Grijsbruine bovenzijde en grijzere kruin en staart. Beste kenmerk is donker grijze oorstreek, donkerder dan kruin, in combinatie met klein formaat en donkergrijze poten. Soms een grijs witte wenkbrauwstreep. Snavel vrij kort met blauw grijze basis.

  • brilduiker
    brilduiker
    brilduiker

    brilduiker
    / bucephala clangula /

    Lengte: 40 - 48 cm, spanwijdte 62 - 77 cm. Broedt bij voorkeur aan heldere voedselarme meren in bosrijke gebieden. Nestelt in boomholen.

    Middelgrote, compacte eend. Kop bruin, iris lichtgeel. Halsring en buik wit, borst en flanken asgrijs. Snavel donker, maar in de broedtijd met een gele band over het voorste deel. In andere seizoen helemaal donker. Op de foto het vrouwtje. Het mannetje was niet aanwezig. Deze heeft een zwarte kop met groene glans en een gele iris. Grote afgeronde witte vlek (bril) tussen oog en snavel. Borst en flanken sneeuwwit. Groot deel van de rug: zwart.

  • bruinekiekendief
    bruine
    kiekendief
    bruine kiekendief

    bruine kiekendief
    / circus aeruginosus /

    Lengte: 43 - 55 cm, spanwijdte 115 - 140 cm.

    De grootste van de Kiekendieven, iets groter dan de Buizerd, maar met slanker lichaam en smallere vleugels. Zweeefvlucht met in ondiepe V omhoog gehouden vleugels zijn kenmerkend. Het mannetje heeft scherp afgetekende, zwarte vleugelpunten, een effen, licht-grijsblauwe staart, een geelwitte kop en borst en een drie- of vierkleurige bovenvleugel.
    Je ziet ze vaak boven de riertvelden aan de Oostvaardersplassen ("De Nieuwe Wildernis").

  • aalscholver
    buizerd
    buizerd

    buizerd
    / buteo buteo /

    Lengte: 46 tot 58 cm. Spanwijdte: 110 tot 130 cm. Periode: het hele jaar door te zien.

    Samen met de Torenvalk is de Buizerd de meest voorkomende roofvogel in Nederland. De kleur van het verenpak is variabel, maar voornamelijk bruin en wit. De bovenkant is donkerder dan de onderkant. Op warme dagen is hij vaak hoog in de lucht te zien waar hij in cirkels op de opstijgende termiek zweeft. Jagen doet hij meestal vanuit een uitkijkpost. Eet konijnen, muizen en andere kleine dieren. Soms staat hij net als een torenvalk stil in de lucht. Het geluid heeft wel iets van een miauwende kat. Heeft een nest in het bosgebied aan de zuidoostkant van de Houtribhoogte.

  • casarca
    casarca
    casarca

    casarca
    / tadorna ferruginea /

    Lengte: 58 tot 70 cm, spanwijdte: 110 tot 135 cm. Broedt aan meren, zoutmoerassen, rivieren, in heuvels en zelfs op berghellingen, soms ver van water. Nestelt in hol in rotswand, oever boom of ruine. overwegend trekvogel. In M en W Europa van uit gevangenschap ontsnapt en soms in verwilderde staat broedend.

    Herkenning: Ongeveer even groot als bergeend (ietsje groter) en gelijk geproportioneerd, met vrij lange hals en poten, vrij smalle vleugels. Lichaam is helder oranje/bruin, kop lichter kaneel- tot roomkleurig, vooral licht op voorhoofd en in “gezicht”. Stuir, staart en slagpennen zwart, deels met groene glans. Voorvleugel( boven en onder) helder wit. Snavel zwart.

  • cettis zanger
    cettis
    zanger
    cettis

    cetti's zanger
    / cettia cetti /

    Lengte: 13 – 14 cm. Broedt in dichte, vrij hoge en vaak duidelijk begrensde vegetatie, bij voorkeur nabij, maar niet in water, bijvoorbeeld in droog hoog riet met verspreid staande struiken, papyrusvelden, wilgen, bamboe dicht struikgewas etc. Soms in nabijheid van bebouwing, in dicht begroeide parken, aan vijvers en kanalen. Voornamelijk standvogel, maar in het oosten trekvogel. In Nederland en Belgie vrij zeldzaam en voormalige broedvogel; thans dwaalgast. Houdt zich meestal verscholen in vegetatie en hipt vaak over de grond of laag in begroeiing. Nestelt laag in dichte vegetatie.

    Herkenning: Middelgrote, vrij compacte zanger met korte hals en brede staart, korte, sterk afgeronde vleugels en spitse snavel.. Bovenzijde egaal roodbruin, onderzijde vuil grijswit met rosse tint op flanken en buik. Koptekening ongeveer als bij kleine karekiet en snor, met smalle en niet al te duidelijke wenkbrauwstreep, geaccentueerd door donkere teugel en donkere oogstreep. Vage grijze tint op de oorstreek, zijhals en zijborst. Donkerbruine onderstaartdekveren reiken slechts tot halverwege de staart. Levendig en actief, maakt rukkende bewegingen met vleugels en staart en houdt de staart vaak omhoog. Mannetje en vrouwtje niet op verenkleed te onderscheiden. De zang bestaat uit plotselinge luide uitbarstingen van metalig klinkende galmende klanken met karakteristiek ritme: eerst 1-4 aarzelende noten, meestal met nadruk op laatste, dan een korte pauze, gevolgd door een snelle reeks van identieke noten, soms aan het einde wegstervend.

  • dodaars
    dodaars
    dodaars

    dodaars
    / tachybaptus ruficollis /

    Kleinste in Nederland voorkomende fuutachtige. Zo klein dat hij zelfs verward kan worden met een eendenkuiken! Lengte: 23 tot 29 cm.

    Vrij korte hals en gedrongen lichaam en opvallend “poederdons” op het achtereind (doddeaars). Voornaamste kleuren zijn bruin en geelbruin. Opvallend gele mondhoek. Komt voor op vijvers, sloten en grachten. Is zeer schuw. Broedt in oevervegetatie waar hij zich ook langdurig verstopt. Gespot op de grote vijver bij het Wetland.

  • ekster
    ekster
    ekster

    ekster
    / pica pica /

    Algemeen voorkomend. Lengte: 40 tot 51 cm. Periode: het hele jaar door te zien.

    Door zijn typische zwart-witte verenkleed gemakkelijk te herkennen. Hij heeft een “fladderende” vlucht en zijn ruitvormige staart is onmiskenbaar. Op de grond hipt de ekster meestal, dit in tegenstelling tot alle andere kraaiachtigen die stappen. Voedsel: voornamelijk wormen, insecten, aas en afval. ‘s Winters voornamelijk vruchten en zaden. Aantal op de Houtribhoogte neemt enorm toe.

  • europese kanarie
    europese
    kanarie
    europese kanarie

    europese kanarie
    / serinus serinus /

    Zeldzaam vogeltje in Nederland. Lengte 11 – 12 cm. Broedt in boomgroepen, bosranden, tuinen, parken, boomgaarden en begraafplaatsen, bij voorkeur met enkele coniferen. (vaak zilverspar, thuja, cypres, etc.).
    In Nederland ca 240 broedparen, waarvan 200 in Limburg (1995). Talrijker in Belgie, in nov - mrt vaak onopvallend in kruidvegetatie van braakliggend terrein. Rusteloos, niet schuw. Maakt regelmatig “rondvluchten”. Nest vrij hoog in dichte conifeer.
    Herkenning: klein met relatief grote kop en zeer kleine snavel. Energieke, springerige vlucht en vaak rusteloos gedrag. Mantel, rug, buik en flanken altijd zwaar gestreept. Lange lichte wenkbrauwstreep reikt tot op lichte zijhals en vormt omranding van donkere wang met lichte vlek in het midden. Stuit licht. Mannetje: voorhoofd, wenkbrauwstreep, zijhals, borst en stuit citroengeel. Vrouwtje: kop ewn borst vaal geelwit; stuit vaal groengeel (soms niet erg opvallend).

  • fitis
    fitis
    fitis

    fitis
    / phylloscopus trochilus /

    Algemeen voorkomend in bossen en parken, moerassen en tuinen met loofbomen. Lengte: 11 tot 13 cm. Periode: maart – oktober. Overwintert in midden Afrika.

    De zang en de kleur van de poten zijn ongeveer de enige kenmerken waardoor de fitis van de tjiftjaf te onderscheiden is. De poten van de fitis zijn duidelijk lichter dan die van de tjiftjaf en de zang van de fitis bestaat uit een aantal aflopende tonen, terwijl de tjiftjaf zijn eigen naam roept. Het is een zeer bewegelijk vogeltje en is voortdurend op zoek naar voedsel.

  • fuut
    fuut
    fuut

    fuut
    / podiceps cristatus /

    Algemeen voorkomende watervogel van plassen en meren. Lengte: 46 tot 51 cm. Periode: het hele jaar door te zien.

    ‘s Zomers is de fuut dankzij de halskraag en de verlengde veren op de kop goed te herkennen. “s Winters verliest hij die kenmerken en is dan wat saaier om te zien. De jongen vervoert hij op de rug. Deze jongen hebben over kop en hals nog dunne witte strepen lopen. Baltsende futen bekijken is spectaculair; ze zwemmen met gestrekte hals naar elkaar toe en rijzen borst tegen borst uit het water op terwijl ze hun koppen schudden en elkaar niet zelden plantenmateriaal aanbieden.

  • gekraagde roodstaart
    gekraagde
    roodstaart
    gekraagde roodstaart

    gekraagde roodstaart
    / phoenicurus phoenicurus /

    Lengte: 13 - 14,5 cm. Periode: komt hier alleen 's zomers voor en vertrekt in september / oktober richting Afrika.

    Herkenning: Vrij slank. Zit meestal vrij rechtop en trilt met roest-rode staart. Het mannetje heeft een zwarte keel, oranje rode borst, wit voorhoofd, asgrijze kruin en mantel.. In het najaar zijn de heldere kleuren gedeeltelijk bedekt door beige veerranden.. Het vrouwtje is aan de bovenzijde grijs-bruin en en aan de onderzijde beige, evenals het vrouwtje van de zwarte roodstaart. Ze is echter lichter van tint en minder grijs getint ( lichtrode borst en lichtere rug). Gespot in de struiken achter de Duinvoet. (Foto nog even 'geleend' van het Internet.)

  • gelekwikstaart
    gele
    kwikstaart
    gelekwikstaart

    gele kwikstaart
    / motacilla flava /

    Algemeen voorkomende zangvogel. Lengte: 15 tot 16 cm. Periode: eind maart – begin oktober.

    Lijkt wat op de grote gele kwikstaart, maar de onderzijde is feller geel van kleur, terwijl de rug van de eerste lichtgrijs is in plaats van het olijfgroen van de gele kwikstaart. Het mannetje is van het vrouwtje te onderscheiden door een minder fel gele onderkant. Op de grond wipt de vogel vrijwel voortdurend met de lange staart. De vlucht is golvend. Regelmatig te in kleine groepjes te zien in het open gebied tussen de Duintop en het Wetland.

  • gierzwaluw
    gier
    zwaluw
    gierzwaluw

    gierzwaluw
    / apus apus /

    Algemeen voorkomende zwaluw. Lengte 17 tot 19 cm. Spanwijdte 40 tot 44 cm. Periode: zomergast, hoofdzakelijk mei – augustus. Overwintert in Zuid Afrika.

    Broedt in steden en dorpen en zelden in onbewoonde beboste gebieden. Nestelt in ventilatieschachten, spleten in muren, onder dakpannen, in kerktorens rotsspleten of boomholtes. Jaagt onophoudelijk in de lucht op insecten, vaak in groepen. Maken tijdens de jacht op zomeravonden een zeer schril, snerpend geluid. Vleugels zijn sikkelvormig, met lange hand- en zeer korte armvleugel. Zeer snelle en goede vliegers. Komt Houtribhoogte af en toe bezoeken.

  • goudhaantje
    goud
    haantje
    goudhaantje

    goudhaantje
    / regulus regulus /

    Lengte 8,5 tot 9,5 cm.

    Komt voornamelijk voor in naald en / of gemengd bos. Dus op de Houtribhoogte een beetje verdwaald? Doet een beetje denken aan de Bladkoning. Het Goudhaantje is gedeeltelijk een trekvogel. In de winter vaak samen met Mezen. Herkenning: Zeer klein formaat; het is de kleinste vogel van Europa. Licht groene bovenkant en vuil grijze onderkant. Maakt een compacte indruk door de korte hals en de proportioneel grote kop. Het donkere oog lijkt groot door een licht, ongetekend gezicht. De opvallende kruinstreep is geel met zwart afgezet. Het mannetje heeft ook oranje in de kruinstreep. Het vrouwtje niet. Maakt een hoog piepende geluid. Ze zijn niet echt schuw en daarom goed benaderbaar voor mensen.

  • grasmus
    grasmus
    grasmus

    grasmus
    / sylvia communis /

    Onopvallende vogel van dicht struikgewas. Lengte: 13 tot 15 cm. Periode: april tot oktober.

    Bruine bovenzijde en een vaalwitte onderkant. Roestbruine vleugels met donkere strepen. Duidelijk witte keel met opstaande veertjes. De kruin van het mannetje is lichtgrijs. Voortdurend in beweging en laat zich maar kort zien. Grasmussen overwinteren ten zuiden van de Sahara. Door het uitbreiden van de woestijn wordt de oversteek steeds moeilijker. Daardoor is de populatie hier kleiner dan vroeger. Gespot in de struiken van het open gebied achter de Duinvoet.

  • graspieper
    graspieper
    graspieper

    graspieper
    / anthus pratensis /

    Lengte 14 – 15.5 cm. Broedt in open cultuur landschap, weiden, heide, open duinen en moerassen, van zeeniveau tot boomgrens, en op toendra’s. Overwintert vooral in Zuidwest en West Europa ( incl. Nederland).
    Herkenning: Typische pieper met olijf getint grijsbruin en beige- of vuilwit meer of minder gestreept verenkleed. Lijkt op boompieper maar meestal gemakkelijk te onderscheiden door roep en habitat. Beide soorten kunnen echter in zelfde biotoop voorkomen (weiden met boomgroepen, rand van moerassen, tijdens trek in weiden) en dan moeten uiterlijke kenmerken van dichtbij bestudeerd worden, tenzij roep te horen is. Let op: iets slankere snavel (die van afstand vaak geheel donker lijkt, zonder roze ondersnavelbasis van boompieper), iets diffuser, minder contrastrijk koppatroon met minder geprononceerde wenkbrauwstreep en iets smallere, niet zo lichte mondstreep. Smalle vuilwitte oogring is meestal lichtste deel van de kop. Bovendelen zwaarder gestreept dan bij de boompieper (maar sommigen in vers kleed zijn gelijkend). Achternagel lang en niet zo gekromd als bij boompieper, maar dit kan alleen van nabij worden gezien. Poten zijn roze. Brengt veel tijd op de grond door en land meestal op de grond, maar ook vaak op prikkeldraad, palen, soms in top van struiken en lage alleenstaande bomen en op telefoondraden. Zangvlucht karakteristiek, eerst stijgend met snelle vleugelslagen en vervolgens dalend op stijve vleugels.

  • grauwegans
    grauwe
    gans
    grauwegans

    grauwegans
    / anser anser /

    Algemeen voorkomende gans. Lengte: 74 tot 84 cm. Spanwijdte: 150 tot 170 cm. Periode: In Nederland broedvogel en doortrekker uit Scandinavie.

    In Nederland broedt een toenemend aantal grauwe ganzen, voornamelijk in moerassen en andere vochtige gebieden. In de winter zijn grote groepen ganzen te zien die vanuit allerlei delen van Europa overwinteren in Nederland. Grauwe ganzen zijn dan vooral in de buurt van plassen en rivieren te zien en te horen als ze in V- formatie overvliegen.

  • groenling
    groenling
    groenling

    groenling
    / chloris chloris /

    Algemeen voorkomende zangvogel. Lengte: 14 tot 16 cm. Periode: In de winter trekt een deel van de populatie weg, maar daar komen groenlingen uit het noorden voor terug, zodat ze het hele jaar door te zien zijn.

    Het verenkleed van het mannetje is groen. De vleugelranden en de zijden van de staart zijn geel. Het vrouwtje is minder fel gekleurd dan het mannetje. Het ging een tijdje slecht met de groenling. Na een ziekte was de landelijke populatie behoorlijk gedecimeerd. Dit jaar zijn ze weer terug op de Houtribhoogte, maar in minder grote aantallen.

  • groenespecht
    groene
    specht
    groenespecht

    groene specht
    / picus viridis /

    Lengte 30 tot 36 cm, spanwijdte 45 tot 51 cm.

    Broedt in open loof- en gemengde bossen, cultuur landschappen met weiden en bomen, parken en soms grote tuinen. Zit vaak op de grond. Het voedsel bestaat voornamelijk uit op de grond levende mieren. Een schuwe en waakzame vogel. Hij heeft een golvende vlucht.
    Herkenbaar aan de groene kleur en een rode kap op de kop en een gele stuit. Zang: een reeks hoge lachende geluiden in hoogte aflopend.
    Dit exemplaar vloog achter de huizen van de Duinvoet langs.

  • grote barmsijs
    grote
    barmsijs
    grote barmsijs

    grote barmsijs
    / carduelis flammea /

    Ze broeden in berkenbos, jonge naaldbomen en kleine dichte groepen loofbomen in weide, duinen en heide. Minder vaak in wilgen op kale hellingen. De kleine barmsijs broedt ook in tuinen, begraafplaatsen en boomgaarden; in de Alpen vaak in larixbossen boven de 1400 m. Grote barmsijs is een trekvogel met in sommige winters een invasieachtig voorkomen ( in Nederland okt- maa/apr ).Actief en rusteloos, zelfs in de broedtijd rondzwervend. Hangt vaal ondersteboven aan buitenste twijgen; vooral in berken en elzen. Nest in takvork.
    Herkenning: grijzig en donker gestreept met kleine gele, spitse vinksnavel met donkere basis, lichte vleugelstrepen, zwarte bef, zwart teugelgebied en donker voorhoofd met rode voorkruin. Alleen adult mannetje heeft helder rood op de borst. Verder zijn geslacht en leeftijd in het veld moeilijk te bepalen. De kleine barmsijs is dus kleiner en donkerder bruin dan de grote.
    Geluid: roep ( vaak in vlucht ) een hard en metalig klinkend, bijna echoënd herhaald tsjett- tsjett-tsjett. Zang bestaat uit metalige roep afgewisseld door een droog snorrend serrrrrrr, meestal tijdens golvende en groot gebied bestrijkende zangvlucht.

  • grotebontespecht
    grote
    bonte
    specht
    grotebontespecht

    grote bonte specht
    / dendrocopos major /

    Algemeen voorkomend. Lengte: 23 tot 26 cm. Periode: het hele jaar door te zien.

    Broed vooral in naaldbossen, maar ook in cultuurlandschappen met boomgroepen, parken en tuinen. De bovenkant is zwart meteen witte tekening. De onderkant is wit. Op de schouder zie je een grote witte vlek. De onderstaart is rood en op het achterhoofd van het mannetje zie je een rode vlek. De specht is aangepast aan het leven in bomen. De tenen zijn zo geplaatst dat de vogel gemakkelijk vertikaal kan klimmen, waarbij de staart als ondersteuning gebruikt wordt. Op de Houtribhoogte zie je ze regelmatig in hun golvende vlucht van het bomengebied in het zuidoosten naar de bomen in het zuidwesten vliegen.

  • grotecanadesegans
    grote
    canadese
    gans
    grotecanadesegans

    grote canadese gans
    / branta canadensis /

    Lengte: 90 tot 100 cm. Spanwijdte: 160 tot 175 cm.

    Broedend op meren, in moerassen en langs rivieren. Komt oorspronkelijk uit Noord-Amerika / Canda. Grote gans herkenbaar aan zwarte hals en kop met witte kinband. Lichtbeige veertoppen op bovenzijde en flanken vormen regelmatige strepen. Deze twee zwommen begin 2012 in de grote vijver.

  • grotelijster
    grote
    lijster
    grotelijster

    grote lijster
    / turdus viscivorus /

    Algemeen voorkomend, maar niet zo talrijk als de merel. Lengte: 26 tot 29 cm. Periode: het hele jaar door te zien.

    De bovenkant is grijsachtig bruin en de onderkant is vaalwit en bedekt met donkere ronde vlekken. De ondervleugel is wit. Het gedrag lijkt op dat van de merel en de zanglijster. De vogel is echter een stuk groter dan de beide andere soorten. Veel grote lijsters trekken in de winter weg, terwijl lijsters uit het noorden en oosten van Europa juist in west Europa komen overwinteren.

  • grotemantelmeeuw
    grote
    mantel
    meeuw
    grotemantelmeeuw

    grote mantelmeeuw
    / larus marinus /

    Algemeen voorkomende meeuw. Lengte: 61 tot 74 cm. Spanwijdte: 144 tot 166 cm.

    Het is de grootste in Nederland voorkomende meeuw. Het zijn de jonge vogels die Nederland bezoeken. Broeden doen de vogels langs de kusten van Scandinavie, Groot Brittannie en IJsland. Het verenkleed is wit met een donkergrijze, bijna zwarte bovenkant. Lijkt erg op de kleine mantelmeeuw, maar heeft een grotere kop en roze poten in plaats van gele. De kleine mantelmeeuw broedt wel in Nederland.

  • grotezaagbek
    grote
    zaagbek
    grotezaagbek

    grote zaagbek
    / mergus merganser /

    Lengte: 58 tot 68 cm. Spanwijdte: 78 tot 94 cm. Trekt in de winter naar open water, soms in parkvijvers.

    Ook regelmatig in het golfpark te signaleren. Groot, met langwerpig gestroomlijnd lichaam en lange dunne rode snavel met haak aan de punt. Kop lijkt nogal groot door de volle kuif op het achterhoofd en de kruin. Lange hals die tijdens het zwemmen vaak wordt ingehouden. Mannetje: grotendeels wit met in de winter een zalmrose gloed. Zwarte kop en bovenhals. Bovendelen grotendeels zwart. Vrouwtje: grotendeels grijze tinten met en bruine kop en bovenhals. Gespot in grote vijver aan het Wetland.

  • grotezilverreiger
    grote
    zilver
    reiger
    grotezilverreiger

    grotezilverreiger
    / casmerodius albus /

    Broedt in kleine aantallen ook in Nederland. Lengte: 85 tot 100 cm. Spanwijdte: 145 tot 175 cm. Periode: het hele jaar door te zien.

    Een geheel witte vogel met een gele snavel die in de zomer een zwarte punt heeft. De poten zijn lang, dun en helemaal zwart. Lange, dunne hals. Het voedsel bestaat uit vissen, reptielen die hij opjaagt door langzaam door het water te lopen. Komt oorspronkelijk uit zuidoost Europa, maar heeft zich steeds verder naar het noorden en oosten verplaatst. Gespot op het Wetland.

  • havik
    havik
    havik

    havik
    / accipiter gentilis /

    Broedt voornamelijk in bossen, maar in Nederland ook in open terrein. Lengte: 50 tot 65 cm. Spanwijdte: 95 tot 125 cm.( vrouwtje is groter). Periode: het hele jaar door te zien.

    Bovenkant is bruingrijs en de onderkant vaalwit met dunne donkerbruine dwars- strepen. Witte wenkbrauwstreep. Over de staart lopen een aantal dwars banden. Lijkt op sperwer, maar is duidelijk zwaarder gebouwd. De sperwer heeft geen wenkbrauwstreep. Hij was neergestreken op een verkeersbord aan het open gebied achter de Houtrib hoogte.

  • heggenmus
    heggen
    mus
    heggenmus

    heggenmus
    / prunella modularis /

    Onopvallende vogel. Lengte 13 tot 16 cm. Periode: het hele jaar door te zien.

    Kop en borst zijn grijs. Bovenkant is donkerbruin. Op de rug zie je donkere vlekken en strepen. Relatief dunne snavel. In Nederland algemene broedvogel, maar laat zich zelden zien. ‘s Winters zie je hem in de buurt van de voerplek, maar altijd verdekt en aan de zijkant.

  • holenduif
    holenduif
    holenduif

    holenduif
    / columba oenas /

    Meer een vogel van open velden en akkers. Lengte: 28 tot 32 cm. Periode: het hele jaar door te zien.

    Verenkleed is blauwgrijs met een glanzend groene en wijnrode halsvlek. In de winter is hij vaak in groepen samen met houtduiven te zien op akkers. Af en toe strijkt er een paartje neer op het open gebied achter de Duinvoet.

  • houtduif
    houtduif
    houtduif

    houtduif
    / columba palumbus /

    Algemeen voorkomende duif. Lengte: 38 tot 43 cm. Periode: het hele jaar door te zien.

    De bovenzijde is grijs en de onderzijde roze- grijs. Op de hals zie je een witte vlek en op de vleugels een witte streep. Het is de grootste in Nederland voorkomende duivensoort. Het is een zware vogel, maar vliegt snel en is ondanks het gewicht zeer wendbaar. Vliegt vaak op met klapperende vleugels.

  • houtsnip
    houtsnip
    houtsnip

    houtsnip
    / solopax rusticola /

    Lengte: 33 cm (inclusief snavel). Spanwijdte 55 tot 65 cm.

    Broedt in vochtige bossen, gemengd of loofbos, afgewisseld met open plekken, graslanden of velden met vochtige bodem, schaduw en enige ondergroei. Tijdens de trek in de winter soms ook in droger terrein met struiken, meestal solitair. Vooral actief in de schemering en zelden overdag (tenzij opgeschrikt) te zien.
    Grootte als van een duif, met een dik lichaam. Opvliegend met een snorrend geluid, tussen bomen zigzaggend, waarbij roodbruin op de stuit en bovenstaart opvalt. Het hele jaar door het zelfde kleed.
    Dit was een raamvlieger die de enorme klap tegen de schuifpui aan de Duinvoet niet overleefde.
    Voor mooiere foto’s zie suggesties in het zijschrift van de webpagina.

  • huismus
    huismus
    huismus

    huismus
    / passer domesticus /

    Zeer algemeen voorkomend. Lengte: 14 tot 16 cm. Periode: het hele jaar door te zien.

    Bovenzijde mannetje is roodbruin en het vrouwtje bruin. Donkere lengtestrepen op de rug. Onderkant is vaalwit of grijs. Over de vleugels loopt een witte streep. Kruin van het mannetje is grijs. Hij heeft een zwarte keelvlek. Het geluid is het typische tjilpen. Daardoor merk je snel dat ze in de buurt zijn. Ze hebben zich aan de mensen aangepast en broeden vrijwel overal waar mensen wonen. Doordat moderne huizen vaak geen nestgelegenheid meer bieden is de populatie huismussen in Nederland meer dan gehalveerd.

  • huiszwaluw
    huis
    zwaluw
    huiszwaluw

    huiszwaluw
    / delichon urbica /

    Samen met de boerenzwaluw de meest voorkomende zwaluw in Nederland. Lengte: 13 tot 15 cm. Periode: zomergast van april tot oktober.

    Bovenkant is glanzend blauwzwart. De onderkant en de stuit zijn wit. De witte stuit is goed zichtbaar tijdens het vliegen. Overwintert in Afrika. Maakt een bolvormig nest van klei met de vliegopening aan de bovenkant, bij voorkeur onder overhangende delen van daken. Broedt meestal in kleine kolonies.

  • kauw
    kauw
    kauw

    kauw
    / corvus monedula /

    Algemeen voorkomende kraaiachtige. Lengte: 30 tot 34 cm. Periode: het hele jaar door te zien.

    Geheel donkergrijs tot zwart met een grijze kleur op het achterhoofd. De kauw is behalve aan het formaat ook van andere kraaiachtigen te onderscheiden door het grijze achterhoofd, de relatief kleine snavel en de witte iris. De vogels leven doorgaans in paren, maar vormen soms ook grote zwermen. Het is een sociale vogel; het mannetje en vrouwtje leven ook buiten de broedtijd samen en blijven hun hele leven bij elkaar.

  • keep
    keep
    keep

    keep
    / fringilla montifringila /

    Lengte: 14 tot 16 cm. Periode: overwintert in Zuid- en Midden Europa (inclusief Nederland). Blijft tijdens zachte winter in het Noorden. Voedsel: zaden, maar in de zomer ook insecten.

    Herkenning: formaat en vorm als een vink, maar heeft een witte stuit en weinig of geen wit op de staartzijden. Net als een vink, lichte vleugelstrepen, maar deze zijn deels oranjegeel, smaller en minder opvallend. Keel, borst en kleine dekveren ongevlekt oranjegeel. Snavel strogeel met zwarte punt. 's Zomers geheel zwarte snavel. De zwarte delen van het zomerkleed zijn in de winter roestbruin. Deze kwam een zaadje meepikken tussen de vinken achter Duinvoet.

  • kievit
    kievit
    kievit

    kievit
    / vanellus vanellus /

    Lengte: 28 - 31 cm, spanwijdte: 67 - 72 cm. In de winter vaak in grote groepen. Trekt weg tijdens de vorst. Voedsel bestaat uit wormen en insecten. Periode: voorjaar, zomer, herfst en zachte winter.

    Herkenning: onmiskenbare, zwarte witte gedrongen plevier, met een unieke lange zwarte kuif en met een fraaie metaalglans op de donkere bovendelen. In de vlucht opmerkelijk afgeronde vleugels. Het mannetjes heeft een langere kuif dan het vrouwtje. In het voorjaar zie je de zeer acrobatische baltsvlucht van het mannetje. Tijdens de broedperiode worden indringers met spectaculaire duikvluchten verjaagd. De kievitten werden op 2 april 2013 in hun vlucht boven Park Houtribhoogte waargenomen.

  • kleine barmsijs
    kleine
    barmsijs
    kleine barmsijs

    kleine barmsijs
    / acanthis cabaret /

    Lengte 11.5 – 14 cm.

    Ze broeden in berkenbos, jonge naaldbomen en kleine dichte groepen loofbomen in weide, duinen en heide. Minder vaak in wilgen op kale hellingen. De kleine barmsijs broedt ook in tuinen, begraafplaatsen en boomgaarden; in de Alpen vaak in larixbossen boven de 1400 m. Grote barmsijs is een trekvogel met in sommige winters een invasieachtig voorkomen ( in Nederland okt- maa/apr ).Actief en rusteloos, zelfs in de broedtijd rondzwervend. Hangt vaal ondersteboven aan buitenste twijgen; vooral in berken en elzen. Nest in takvork.
    Herkenning: grijzig en donker gestreept met kleine gele, spitse vinksnavel met donkere basis, lichte vleugelstrepen, zwarte bef, zwart teugelgebied en donker voorhoofd met rode voorkruin. Alleen adult mannetje heeft helder rood op de borst. Verder zijn geslacht en leeftijd in het veld moeilijk te bepalen. De kleine barmsijs is dus kleiner en donkerder bruin dan de grote.
    Geluid: roep ( vaak in vlucht ) een hard en metalig klinkend, bijna echoënd herhaald tsjett- tsjett-tsjett. Zang bestaat uit metalige roep afgewisseld door een droog snorrend serrrrrrr, meestal tijdens golvende en groot gebied bestrijkende zangvlucht.

  • kleine bonte specht
    kleine
    bonte
    specht
    kleine bonte specht

    kleine bonte specht
    / dendocopus minor /

    Lengte 14 - 16.5 cm, spanwijdte 24 – 29 cm.

    Broedt in loofbossen, oude boomgaarden, parklandschappen en riviervalleien met elzen. Nestingang meet 3 x 3.5 cm. Het is de kleinste Europese specht, een dwerg met een kort plomp lichaam, ronde kop en korte spitse snavel. De bovenzijde is zwart met witte bandering op de vleugels en rug. De zwarte streep op de zijkant van de kop reikt niet tot de kruin maar is onderbroken door wit. Flanken doorgaans zwak gestreept. Het mannetje heeft een rode kruin met zwarte randen. Het vrouwtje heeft geen rood in het verenkleed.

  • kleinekarekiet
    kleine
    karekiet
    kleinekarekiet

    kleine karekiet
    / acrocephalus scirpaceus /

    Algemeen in het riet voorkomende zangvogel. Lengte: 12 tot 14 cm. Periode: april/ oktober. Overwintert in Afrika.

    Bovenkant is bruin en de onderzijde is vaalwit. De keel is wit, de flanken zijn lichtbruin. Onduidelijke wenkbrauwstreep. Broedt in riet, graag in hoge en dichte bestanden in water van enige diepte. Nieuwsgierig, weinig schuw en daarom gemakkelijk waar te nemen. In de rietvelden rond het Wetland hoor je de kleine karekiet voortdurend z’n liedjes zingen.

  • kleinemantelmeeuw
    kleine
    mantel
    meeuw
    kleinemantelmeeuw

    kleine mantelmeeuw
    / larus graellsii /

    Broedt langs kusten en meren, vaak samen met zilvermeeuwen. Lengte: 48 tot 56 cm. Spanwijdte: 117 tot 134 cm. Periode: het hele jaar door te zien.

    Verenkleed is wit met een donkergrijze rug en bovenvleugels. Gele snavel met rode vlek bij de punt. De poten zijn geel. ‘s Winters donkere strepen op de kop. Heeft de grootte van een zilvermeeuw, maar donkerder rug en ovenvleugels. Hiermee lijkt hij op de grote mantelmeeuw. De laatste is echter duidelijk groter en heeft roze i.p.v. gele poten. Trekt in de winter weg, maar soortgenoten uit het noorden komen ervoor in de plaats.

  • kleineplevier
    kleine
    plevier
    kleineplevier

    kleine plevier
    / charadrius dubius /

    Regelmatige bezoeker van waterkanten en meertjes. Lengte: 15 tot 18 cm. Periode: zomergast april/oktober.

    Bovenkant is grijsbruin en de onderkant is wit. Een zwart witte tekening op de kop en een zwarte borstband. Een gele ring om het oog en een korte zwarte snavel. De kleine plevier lijkt op de bontbekplevier, maar in tegenstelling tot de laatste komt de kleine plevier ook in het binnenland voor. Nest is een goed verborgen kuiltje in de grond tussen kiezels., met 4 eieren. De eieren lijken ook op kiezels, dus een nestje is moeilijk te ontdekken. Leeft van insecten en kleine kreeftjes. Gespot bij de grote vijver, waar hij alsmaar roepend opvloog en 50 meter verder weer ging zitten.

  • kneu
    kneu
    kneu

    kneu
    / caduelis cannabina /

    Algemeen voorkomende zangvogel. Lengte: 12 tot 14 cm. Periode: het hele jaar door te zien.

    Bovenkant is bruin en de onderkant vaal wit. De kop is grijs. In de zomertijd zijn de borst en de kruin van het mannetje karmijnrood. Tijdens de broedperiode leven de vogels vaak in kleine groepjes, meestal in relatief open terrein met veel struikgewas en kruiden. Een gedeelte van de populatie kneuen trekt tijdens het najaar naar het zuiden. Vogels uit Scandinavie trekken dan echter naar Nederland, zodat de kneu het hele jaar te zien is. Veel gezien in het open terrein tussen de Duintop en het Wetland.

  • knobbelzwaan
    knobbel
    zwaan
    knobbelzwaan

    knobbelzwaan
    / cygnus olor /

    Algemeen voorkomende watervogel. Lengte: 140 tot 160 cm. Spanwijdte: 200 tot 240 cm. Periode: het hel jaar door te zien.

    Geheel wit verenkleed. De snavel is oranje met een zwarte basis. Op het voorhoofd zie je een zwarte knobbel. Jonge vogels zijn bruinachtig met hier en daar wat wit. Ze zoeken voedsel ( meestal waterplanten ) in ondiep water. Broedt op zoetwatermeren, vijvers en sloten, meestal vlakbij riet. Zijn niet schuw en kunnen agressief zijn tijdens de broed periode. Van juli tot september zijn ze in de rui en tref je ze in grote groepen aan op o.a. het IJsselmeer. Deze foto is genomen bij de vijver aan het Wetland.

  • koekoek
    koekoek
    koekoek

    koekoek
    / cuclus canorus /

    Je hoort hem wel, maar je ziet hem niet! Lengte: 32 tot 36 cm. Periode: zomergast van apr/sept. Overwintert in tropisch Afrika.

    Bovenzijden mannetje is blauwgrijs. Het vrouwtje heeft een bruine bovenkant. De onderkant is vaal wit met donkere dwars- banden. De staart is donker en bezet met witte vlekken. Grootste kans om een koekoek te zien heb je in de maand mei. Het vrouwtje legt haar eieren in het nest van andere zangvogels, een ei per nest en in totaal een stuk of tien.

  • kokmeeuw
    kokmeeuw
    kokmeeuw

    kokmeeuw
    / larus ridibundus /

    In Nederland het hele jaar talrijk. Lengte: 35 tot 39 cm. Periode: het hele jaar door te zien.

    Wit verenkleed met een grijze rug.”’s Zomers een donkerbruine kop met een witte ring om het oog. In de winter een witte kop met een donkere vlek achter het oog. De vleugeltoppen zijn zwart, poten en snavel zijn oranje van kleur. Broedt in kolonies in meren, moerassen en vennen. In de zomer is de kokmeeuw genmakkelijk herkenbaar dankzij de donkerbruine kop. Het is de meest algemene meeuw in Nederland die ook in grote getale in het binnenland voorkomt. `s Winters gaan veel van de vogels van het binnenland naar de kust.

  • koolmees
    koolmees
    koolmees

    koolmees
    / parus major /

    Een van de meest voorkomende en meest opvallende vogels van Nederland. Lengte: 15 tot 15 cm. Periode: het hele jaar door.

    De rug is geel- groen en de onderzijde is geel met een zwarte middenstreep. De kop is zwart met een grote witte wangvlek. Staart en stuit zijn blauw met wit van kleur en over de vleugel loopt een witte streep. Mede omdat de vogel niet schuw is, is het een van de bekendste vogels van Nederland. Omdat een koolmees niet oud wordt worden er per broedsel veel eieren gelegd. Ook al beginnen ze met een broedsel, ze laten hun nest regelmatig in de steek om op een betere plek een ander broedsel te beginnen.

  • koperwiek
    koperwiek
    koperwiek

    koperwiek
    / turdus iliacus /

    Algemeen voorkomende lijsterachtige met roestbruine oksels. Lengte: 19 tot 23 cm. Periode: als doortrekker en wintergast van sept/ okt tot april/ mei.

    De bovenkant is bruin en de onderkant vaalwit met bruin- zwarte vlekken. De flanken en de ondervleugel zijn roestbruin. Boven het oog zie je een lichte wenkbrauw streep. De koperwiek komt als doortrekker en wintergast vaak in groepjes naar Nederland en laat zich vaak zien in de buurt van bessenstruiken.

  • krakeend
    krakeend
    krakeend

    krakeend
    / mareca strepera /

    Broedt in moersasgebieden. Lengte: 46 tot 56 cm. Periode: het hele jaar door te zien, maar ‘s winters talrijker door aanvulling uit noord en oost.

    Het zomerkleed van het mannetje is grijsbruin met een fijne donkere tekening. Het vrouwtje is grijsbruin met donkere vlekken. Witte vleugelspiegel. In de winter lijkt het mannetje op het vrouwtje.

  • kramsvogel
    kramsvogel
    kramsvogel

    kramsvogel
    / turdus pilaris /

    Regelmatig voorkomende wintergast. Lengte: 22 tot 27 cm. Periode: ‘s winters.

    Kop, stuit en een gedeelte van de rug zijn grijs. Het bovenste deel van de rug is bruin. De staart is zwart. De onderzijde is vaal wit met zwarte streepjes. Borst is oranje- geel en de snavel is geel met een zwarte punt. Vooral in de winter in grote aantallen te zien. Het broedgebied licht verder naar het oosten in Europa. Af en toe broeden een aantal vogels in Nederland. Vaak te zien in de buurt van bessenstruiken. De duindoorns in het open gebied achter de Duinvoet trekken de kramsvogels aan.

  • krooneend
    krooneend
    krooneend

    krooneend
    / netta rufina /

    Broedt op grote, met riet omzoomde meren. In Nederland groepen van soms meer dan 100 in aug. tot dec. Vrij grote eend. Lengte: 53 tot 57 cm. Spanwijdte: 85 tot 90 cm.

    Lang massief lichaam met grote ronde kop. Zeer opvallende brede witte vleugelstreep. Het mannetje heeft een vosrode kop (lichtst op de kruin) en opvallende koraalrode snavel. Borst, achtersteven en midden van de buik zijn zwart. Flanken wit. Smalle witte vlek aan de zijkant van de mantel. Meteen te onderscheiden van tafeleend aan de snavel en donkerder bovendelen. Gespot in de grote vijver van het Wetland.

  • kuifeend
    kuifeend
    kuifeend

    kuifeend
    / aythya fuligala /

    Algemene vaak in groepen voorkomende eend. Lengte: 40 tot 47 cm. Periode: grotendeels trekvogel, maar overwintert ook in grote groepen op ijsvrije wateren.

    Het mannetje is op de witte flanken na geheel zwart en het vrouwtje is donker bruin. Het mannetje heeft een duidelijk zichtbare kuif. De snavel is blauw- grijs met een zwarte punt. Het voedsel bestaat voornamelijk uit kleine waterdiertjes, die tijdens een lange duik op de waterbodem worden gezocht. Omdat ze langer dan de meeste andere eenden onder water kunnen blijven, komt de kuifeend in verhouding meer voor in dieper water. Kuifeend met jongen gespot in de nieuwe vijver.

  • lepelaar
    lepelaar
    lepelaar

    lepelaar
    / platalea leucorodia /

    Broedt in kolonies in rietmoerassen met enkele bomen en struiken. Lengte: 80 tot 93 cm. Spanwijdte: 120 tot 135 cm. Periode: van Maart tot oktober.

    Het verenkleed is voornamelijk wit met ‘s zomers een gele borstband. De snavel is zwart met een geel uiteinde. Het uiteinde van de snavel is lang, plat en breed. Deze unieke snavel gebruikt de lepelaar om onder water met heen en weer maaiende bewegingen prooidieren, zoals kleine vissen op te jagen. .s Zomers een kuif van lange afhangende veren op het achterhoofd. Lepelaars broeden op de Waddeneilanden, de Oostvaardersplassen, Voorne en het Zwanenwater. Overvlieger van de Houtribhoogte.

  • meerkoet
    meerkoet
    meerkoet

    meerkoet
    / fulica atra /

    Zeer algemene watervogel op plassen, sloten en meren. Lengte: 36 tot 40 cm. Periode: het hele jaar door te zien.

    Geheel zwart van kleur. De snavel is wit en gaat over in een witte voorhoofdsplaat. De tenen zijn gelobd en geel- groen van kleur. De iris van het oog is rood. Het is een echte watervogel, die maar weinig vliegt en dan slechts met moeite uit het water omhoog kan komen. In de winter vormen ze grote groepen. Als het water bevriest en de meerkoeten ingesloten dreigen te worden zoeken de vogels elkaar op en houden ze gezamenlijk het wak open.

  • merel
    merel
    merel

    merel
    / turdus merula /

    Algemene zangvogel. Lengte: 24 tot 29 cm. Periode: het hele jaar door te zien.

    Het mannetje is helemaal zwart en heeft een dunne oranje- gele cirkel om het oog, dezelfde kleur als de navel. Het vrouwtje is bruin en heeft een bruine snavel. Het voedsel bestaat uit insecten, vruchten, wormen en slakken.

  • nachtegaal
    nachtegaal
    nachtegaal

    nachtegaal
    / luscinia megarhynchos /

    Laat meer van zich horen dan van zich zien. Lengte: 15 tot 16 cm. Periode: zomergast. Zang slechts te horen van eind april tot begin juni.

    Bovenzijde is egaal bruin van kleur. De stuit en de bovenkant van de staart zijn rood- bruin. De onderkant is licht grijs. Het oog is opvallend groot en zwart en de poten zijn licht gekleurd. Hoewel de vogel zich zelden laat zien is het geluid vaak te horen, zodat zijn aanwezigheid goed opgemerkt kan worden. In de winter trekt de nachtegaal naar de savannen van Afrika. Regelmatig te horen in de bosjes omgeving speeltuin en bij de sluizen.

  • nijlgans
    nijlgans
    nijlgans

    nijlgans
    / alopochen aegyptiacus /

    Komt oorspronkelijk niet in ons land voor. Lengte: 63 tot 73 cm. Periode: het hele jaar door te zien.

    De bovenkant is bruin en de onderkant is licht grijs. Rondom het oog zie je een donkere vlek. De kop is vaal wit en op de borst zie je een donkere vlek. De snavel is roze met zwarte vlekken en de poten zijn roze. De bouw doet denken aan een kleine gans, maar het is een echte eend, verwant aan de bergeend. Groeiende populaties van uit gevangenschap ontsnapte vogels broeden nu in vele landen van West- Europa.

  • nonnetje
    nonnetje
    nonnetje

    nonnetje
    / mergellus albellus /

    Lengte: 38 - 44 cm. Spanwijdte: 56 - 69 cm. Broedt in de omgeving van noordelijke bosmeren of traag stromende rivieren. Het is een vrij schaarse trekvogel. Vliegt in overwinteringsgebied in paren of kleine groepjes rond, maar vormt ook grote groepen (in Nederland vooral in het Markermeer).

    Kleinste van de zaagbekkenfamilie. Doet een beetje aan een brilduiker denken. Het mannetje is onmiskenbaar: grotendeels wit met een zwarte tekening, kop wit met een zwart "masker" voor en rond het oog en een zwarte lijn achter de oorstreek. Grote ovale witte vlek op de armvleugel. Vrouwtje dofbruingrijs met witte wangen en donker kastanjebruin voorhoofd en kruin. Dit paartje dobberde eind maart 2013 tijdens een sneeuwbui op de vijver van het Wetland.

  • oeverzwaluw
    oever
    zwaluw
    oeverzwaluw

    oeverzwaluw
    / riparia riparia /

    De kleinste Europese zwaluw. Lengte: 12 tot 13 cm. Periode: zomergast van eind maart tot oktober.

    De bovenkant is bruin en de onderkant is wit. Bruine borstband. De staart is licht gevorkt. De oeverzwaluw is aan water gebonden. Vaak scheren ze in groepjes over het water om insecten te bemachtigen. Ze nestelen in zelf gegraven holen langs steile oevers. De vogel broedt in kolonies waarbij de nesten vaak in rijen naast elkaar worden gemaakt. Door kunstmatige aanleg van wanden/ zandbergen is de soort tegenwoordig plaatselijk weer algemeen aanwezig. Jaarlijks meer dan tien nesten geteld in de afgevlakte bergen zand bij de nieuwbouw. Brengen veel jongen voort.

  • ooievaar
    ooievaar
    ooievaar

    ooievaar
    / ciconia ciconia /

    Algemeen voorkomend. Lengte: 95 – 110 cm. Spanwijdte: 180 – 218 cm. Periode. Het is een trekvogel, maar een klein aantal overwintert in Europa (bijv. in het Natuurpark ).

    Broedt in open cultuurlandschappen in nabijheid van vochtige weiden en moerassen. Zwart wit gekleurd met lange hals en lange rode poten en een rode snavel. Eet amfibieen, insecten, kleine zoogdieren regenwormen etc. Vliegt in tegenstelling tot de reiger met gestrekte hals. Het is een zwijgzame vogel, maar laat luid de snavel klepperen bij het nest, vooral wanneer de partners elkaar begroeten. Een keer waargenomen bij de voorste vijver.

  • paapje
    paapje
    paapje

    paapje
    / saxicola rubetra /

    Lengte 12 – 14 cm. Broedt in ongecultiveerd meestal vochtig terrein, zoals ruig grasland.

    Zomergast van april tot oktober. Overwintert in Afrika. In Nederland meest solitair, op doortrek. Voedsel bestaat uit insecten. Nestelt in graspollen.
    Herkenning: compact met korte staart. Zit recht op en wipt en trilt met staart, vliegt laag weg. Stuit geel-bruin met donkere vlekken. Buitenste staartpennen aan basis wit, zichtbaar in vlucht. Bruinzwarte door witte strepen omrande oorstreek. Keel en borst oranjebeige. Een of twee witte vleugelvlekken. Duidelijke beigewitte wenkbrouwstreep.
    Gespot op Wetland

  • pestvogel
    pestvogel
    pestvogel

    pestvogel
    / bombycilla garrulus /

    Zeldzame verschijning in Nederland. Lengte 18 tot 21 cm.

    Sommige jaren kennen een Pestvogel invasie. Ze trekken dan helemaal uit Noord Rusland naar Nederland en soms tot zelfs in België. Ze foerageren op bes dragende struiken. Kwa grootte zijn ze vergelijkbaar met een Spreeuw. Onmiskenbaar door de grote kuif in combinatie met het rossig bruin-beige verenkleed. Smal, zwart oogmasker, zwarte kin en keel en een markant wit geel vleugelpatroon. Snelle vlucht in vaak dichte formaties. Staart met brede gele eindband. Omdat de Pestvogel geen mensen gewend is, is hij over het algemeen niet schuw.

  • pijlstaart
    pijlstaart
    pijlstaart

    pijlstaart
    / anas acuta /

    Lengte 51 tot 62 cm ( exclusief de 10 cm lange verlengde staartpennen. Spanwijdte 79 tot 87 cm. Broed aan meren in laagland en steppe, ook op poelen in bergen en op toendra. Deels trekvogel.
    Herkenning: Bijna even groot als wilde eend, maar slanker en sierlijker. Geen geel of oranje op de snavel. Vleugels lang, smal en spits (vooral bij mannetje). Hals lang en smal, kop klein. ( “de hazewindhond onder de eenden”). Vlucht snel met iets naar achteren gebogen handvleugel en opvallend lange hals en staart. Adult ‘s zomers: mannetje onmiskenbaar, met verlengde middelste staartpennen; kop en bovenhals bruin, borst en benedenhals wit, doorlopend als smalle witte streep over zijhals tot achter oorstreek. Spiegel zwartgroen met witte achterrand en licht roodbruine voorrand.

  • pimpelmees
    pimpel
    mees
    pimpelmees

    pimpelmees
    / parus caeruleus /

    Algemeen voorkomend meesje. Lengte: 10 tot 12 cm. Periode: het hele jaar door te zien.

    De bovenkant is blauwgroen en de onderkant is geel. De kruin, stuit en staart zijn blauw. De wangen en het voorhoofd zijn wit. Heeft een opvallende zwarte oogstreep. De kin is zwartblauw en gaat over in een zwartblauwe halsband. Is door de bonte kleuren gemakkelijk te herkennen. Is kleiner dan de koolmees en heeft een blauwe in plaats van een zwarte kruin. Door het geringe gewicht kan de vogel probleemloos ondersteboven hangen aan een dunne tak. In strenge winters kan de populatie halveren. Dat maken ze dan weer goed door grote legsels van ca. tien eitjes.

  • putter
    putter
    putter

    putter
    / carduelus carduelus /

    Ook wel “distelvink”genoemd. Lengte: 12 tot 14 cm. Periode: het hele jaar door te zien.

    Heeft een bruine rug en een gedeeltelijk witte en bruine buik. Het gezicht is rood en omgeven door een brede witte rand. De nek is zwart en over de vleugel loopt een gele streep. Lichte snavel.Het puttertje is door zijn bontgekleurde kop van zowel het mannetje als het vrouwtje een onmiskenbare vogel. Buiten de broedtijd wordt de vogel regelmatig in groepjes gezien in de buurt van distels. Gespot in het open gebied achter de Duinvoet en het gebied tussen de Duintop en het Wetland.

  • ransuil
    ransuil
    ransuil

    ransuil
    / asio otus /

    Lengte: 31 tot 37 cm.

    Broedt in bossen in de buurt van open terrein, boomgroepen in landbouw gebieden, grote parken met coniferen, etc. In het noorden trekvogel, in het zuiden standvogel. Is ‘s winters vaak in grote groepen in een roestplaats te vinden. In de schemering en ‘s nachts actief. Voedsel bestaat voornamelijk uit muizen. Broedt in oud nest ( vaak oud kraaiennest). Is duidelijk kleiner dan bosuil, met lange, vrij smalle vleugels. Lange oorpluimen vallen op. De vlucht is vrij langzaam en schommelend, afgewisseld met glijpauzes.
    Geluid: adult is nogal zwijgzaam; roep van het vrouwtje: een herhaald zwak, nasaal, enigszins gebroken  PIEH-ew. Bedelroep van jong; een luid en hartverscheurend, langgerekt en klagelijk, hoog PIE-eh, op meer dan een kilometer afstand hoorbaar.

  • rietgors
    rietgors
    rietgors

    rietgors
    / emberiza schoenicius /

    Middelgrote gors met kleine donkere snavel. Lengte: 13 tot 16 cm. Periode: het hele jaar door maar trekt ook wel naar het zuiden. Noordelijke vogels overwinteren in Nederland.

    De rug is bruin met zwarte strepen. De onderkant is vaalwit. Het mannetje heeft een zwarte kop en zwarte bef. Witte snorstreep en wit gekleurde staartzijden. De vogel nestelt in laag struikgewas en brengt drie nesten per jaar groot. Zwerft in de winter soms rond in het gebied waar de vogel heeft gebroed. Gespot op de voederplaats in het open gebied achter de Duinvoet.

  • rietzanger
    rietzanger
    rietzanger

    rietzanger
    / acrocephalus schoenobaenus /

    Onopvallend tussen het riet levende zangvogel. Lengte: 11 tot 13 cm. Periode: mrt/apr. tot sept/okt. Broedtt in grote delen van Europa, maar overwintert in Afrika.

    De bovenkant is bruin en donker gestreept. De onderkant is vaalwit gekleurd. Witte keel en duidelijk zichtbare witte wenkbrauwstreep. Het nestje van de rietzanger wordt in dicht struikgewas, vlakbij de grond gebouwd en niet zoals veel verwante soorten doen aan verticale rietstengels. Te zien in de rietgebieden rond het Wetland.

  • ringmus
    ringmus
    ringmus

    ringmus
    / passer montanus /

    Wordt vaak verward met het mannetje van de huismus. Lengte: 12 tot 14 cm. Periode: het hele jaar door te zien.

    De bovenkant is bruin en getekend met donkere lengtestrepen. De keel is zwart en er zijn zwarte wangvlekken. De kruin is roodbruin en hij heeft een witte halsring. De ringmus is een algemene broedvogel, maar is de laatste jaren sterk in aantal afgenomen. Hoewel de meeste vogels in de winter in hetzelfde gebied blijven, trekken ringmussen uit het noorden over een kleine afstand zuidwaarts. Regelmatig groepjes te zien in het gebied tussen de nieuwe en de oude vijver en van daaruit richting bossen zuid- / oostkant Houtribhoogte.

  • roerdomp
    roerdomp
    roerdomp

    roerdomp
    / botarus stellaris /

    Lengte: 69 tot 81 cm. Spanwijdte: 100 tot 130 cm. Periode: Het is een trekvogel maar probeert bij vorst toch te overwinteren.

    Veren zijn bruin van kleur bedekt met zwarte vlekken en strepen. De kruin is zwart. Zwarte snorstreep. Poten zijn enigszins groen. De roep van de roerdomp is een laag en diep “whoemp” en klinkt als een soort misthoorn. De roerdomp is een behoorlijk grote vogel, maar kleiner dan de blauwe reiger. Het is een zeldzame verschijning die je in uitgestrekte rietvelden kunt tegenkomen. Hij is door een bewoner van het Wetland gespot in 2010. Daarna is hij op de Houtribhoogte niet meer waargenomen.

  • roodborst
    roodborst
    roodborst

    roodborst
    / erithacus rubecula /

    Gewone verschijning in parken en tuinen. Lengte: 12 tot 14 cm. Periode: het hele jaar door te zien.

    Het voorhoofd, de wangen en de borst zijn helder oranje van kleur. Het oranje gebied heeft een blauwgrijze omranding. De bovenkant is egaal grijsbruin. De jonge vogels zijn bruin gevlekt. Dankzij de oranje borst is de roodborst met geen enkele Nederlandse vogel te verwarren. De vogel jaagt in het eigen territorium op insecten en duldt daarbij buiten het broedseizoen geen soortgenoten. In de winter trekken de vogels soms over een korte afstand naar het zuiden, maar de meesten blijven in Nederland, aangevuld door vogels uit het noorden en oosten.

  • roodborsttapuit
    roodborst
    tapuit
    roodborsttapuit

    roodborsttapuit
    / saxicola rubicola /

    Lengte: 11 tot 13 cm.

    Broedt in open schaars begroeid landschap, vaak met heidestruiken, duindoorn en gaspeldoorn. Komt voor van zeeniveau tot boven de boomgrens. Deels standvogel in Nederland, maar vooral zomergast van maart tot oktober. Herkenning: gehele kop en kin zwart, grote witte vlekken op halszijde tot ver op achterhoofd. Borst oranje, stuit bruin met witte stuitvlek. Gezien in de struiken tegenover Wetland.

  • scholekster
    schol
    ekster
    scholekster

    scholekster
    / haematopus ostralegus /

    Algemeen in open, vlakke kustgebieden, maar ook in weilanden in het binnenland. Lengte: 39 tot 44 cm. Periode: het hele jaar door te zien.

    De bovenkant en de kop zijn zwart en de onderkant is wit. De poten zijn oranje- rood evenals de snavel. Om het oog zie je een oranje- rode ring. Het nest bestaat uit een klein kuiltje met vier eieren. In steden bouwt de scholekster soms nesten tussen de kiezels op een plat dak. Buiten de broedtijd vaak in grote groepen langs de kust waar te nemen.

  • sijs
    sijs
    sijs

    sijs
    / carduelis spinus /

    Komt de laatste decenia steeds meer voor in Nederland. Lengte: 11 tot 13 cm. Periode: het hele jaar door, maar ‘s winters meer doortrekkers uit het noorden.

    Het verenkleed is grijs met donkere strepen en enkele gele gebieden. Komt met name voor in naald- en gemengde bossen, waar de vogel zijn nest hoog in de boom bouwt. Was vroeger een zeldzame broedvogel in Nederland, maar tegenwoordig broeden er enkele duizenden. Ik zag ze in 2011 voor het eerst. Bij de nieuwe vijver samen met de groep ringmussen.

  • slechtvalk
    slechtvalk
    slechtvalk

    slechtvalk
    / falco peregrinus /

    Mannetje: lengte 38 – 45 cm, spanwijdte 89 – 100 cm. Vrouwtje: lengte 46 – 51 cm, spanwijdte 104 – 113 cm

    Gezien op 30-3-2014 rond de zendmast en boven het zuidelijk deel van de Houtribhoogte. Dit stel had net een prooi gevangen. De slechtvalk komt over de hele wereld voor. Broedt regelmatig in Nederland, maar met weinig succesvolle paren. Jaagt op kleine en middelgrote vogels (duiven), die gevangen worden in een snelle horizontale jachtvlucht, of een spectaculaire en snelle stootduik van grote hoogte.
    Herkenning: Middelgrote tot grote valk, met krachtig lichaam en spitse vleugels, nogal brede arm en middellange staart. Vleugels in de vlucht meestal ligt naar achteren gebogen, met duidelijk zichtbare vleugelbocht. Actieve vlucht met snelle vleugelslagen. Bovenkant leigrijs, benedenrug, stuit en bovenstaartdekveren lichter blauwgrijs. Onderkant wit, benedenborst en buik met smalle bandering, wangen keel en bovenborst wit, sterk contrast met zwarte kopkap en brede baardstreep.

  • slobeend
    slobeend
    slobeend

    slobeend
    / anas clypeata /

    Algemeen voorkomende middelgrote eend met korte hals en opvallend lange en brede snavel. Lengte: 44 – 52 cm. Spanwijdte: 73 – 82 cm. Periode: Grotendeels trekvogel, maar deze is nog even blijven hangen (14-11-2011).

    De kop is groen, de borst wit, buik en flanken helder kastanjebruin. Het vrouwtje lijkt op het vrouwtje van de wilde eend, maar is onmiddellijk herkenbaar aan de grote brede snavel. Komt meestal in paren of kleine groepjes voor, maar deze spotte ik als solitair in de grote vijver bij het Wetland.

  • snor
    snor
    snor

    snor
    / locustella luscinioides /

    Onopvallende rietveldenbewoner. Lengte: 13 tot 15 cm. Periode: apr/mrt tot september.

    De bovenkant is donkerbruin en de onderkant vaalwit. Een lichte nauwelijks waarneembare wenkbrauwstreep. De staart is getrapt en afgerond. De onderstaart dekveren zijn roodbruin. Lijkt erg op de kleine karekiet. Het beste kenmerk is de zang, die klinkt als een hele lange triller (ratel). Broedt in rietvelden in moerasgebieden. Overwintert ten zuiden van de Sahara. Gehoord in het rietgebiedje bij het fietspad naar de fietsbrug.

  • sperwer
    sperwer
    sperwer

    sperwer
    / accipiter nisus /

    Kleine roofvogel met brede stompe vleugels. Lengte: 29 tot 41 cm. Spanwijdte: 60 tot 80 cm ( vrouwtje is groter dan mannetje). Periode: het hele jaar door te zien.

    De bovenzijde is blauwgrijs gekleurd en de onderkant is vaalwit met roestbruine dwars- strepen. Over de staart lopen enkele brede donkere dwars- banden. Gele poten. De sperwer vliegt behendig langs struiken en tussen bomen door, ondertussen zoekend naar zangvogels, die bij een verrassingsaanval gevangen worden. Gespot in het open gebied achter de Duinvoet.

  • spotvogel
    spotvogel
    spotvogel

    spotvogel
    / hippolais icterina /

    Lengte: 12 -13,5 cm. Broedt in open loofbos met rijke ondergroeien en in parken en tuinen. Komt voor in de zomer (april - september). Overwintert in tropisch Afrika.

    Herkenning: nogal zware snavel met brede basis en een relatief grote kop met vaak een opstaande kruin. Bovenzijde grijsachtig groen; onderzijde egaal lichtgeel. Onduidelijke geel-witte wenkbrauwstreep. Lichte oogring en vrij lichte geel-roze zijkant van de snavel. Poten vaak grijsblauw; bij jonge vogels bruin.

  • spreeuw
    spreeuw
    spreeuw

    spreeuw
    / sturnus vulgaris /

    Algemeen voorkomende zangvogel. Lengte: 20 tot 22 cm. Periode: het hele jaar door te zien.

    De veren zijn in de zomer zwart met een metaalglans. In de winter krijgt het verenkleed witte spikkels. De snavel is in de zomer geel en in de winter bruin. Het is een luidruchtige vogel en broedt meestal alleen, maar soms ook in kolonies. Broedt in boomholtes of gaten in de grond. Vormt buiten de broedtijd vaak grote zwermen en kunnen dan veel schade veroorzaken, met name in boomgaarden.

  • staartmees
    staart
    mees
    staartmees

    staartmees
    / aegithalos caudatus /

    Door lange staart heel goed herkenbaar. Lengte: 13 tot 15 cm. ( incl. staart ). Periode:het hele jaar door te zien.

    De bovenkant is zwart en de onderkant wit met een roze waas. De kop is wit. Soms is er een brede zwarte wenkbrauwstreep aanwezig. De staart is langer dan het lichaam. Bij staartmezen uit het noorden en oosten ontbreekt de wenkbrauwstreep. In de winter zie je staartmezen vaak in kleine groepjes rondzwerven. Omdat zij van insecten leven kan een strenge voedselarme winter veel slachtoffers maken.

  • steenuil
    steenuil
    steenuil

    steenuil
    / athene noctua /

    Lengte 23-27 cm. Broedt in open terrein ( velden, weilanden ) met boomgroepen, kliffen, tuinen, parken of hagen. Deels overdag actief; graag open en bloot zonnend of op de uitkijk zittend, waardoor ze ook overdag te zien zijn. Voedsel bestaat uit insecten, wormen, vogels, kleine amfibien en slangen. Broedt in boomholten, in Nederland vaak in knotwilgen of in speciale nestkasten.

    Kenmerken: klein, met grote, brede , ronde kop, lange poten en korte staart. Drukt zich bij onraad en wipt bij opwinding zijn lichaam heftig op en neer. Bovenzijde bruin met witte spikkels, onderzijde witachtig, dicht met bruin gestreept. Witte schuine “wenkbrouwen” geven een “strenge” blik. De iris is geel. Geluid: meest gehoorde roep een scherp, klagend “Kieuww, dalend en vaak driftig herhaald. Deze werd gespot aan het onderlangs.

  • stormmeeuw
    storm
    meeuw
    stormmeeuw

    stormmeeuw
    / larus canus /

    Algemeen voorkomende meeuwensoort. Lengte: 40 – 46 cm, spanwijdte 99 - 108 cm. Broedt in kolonies of in losse paren langs kusten of op eilanden en in moerassen, langs rivieren of meren in het binnenland.

    Iets groter dan de kokmeeuw en veel kleiner dan de zilvermeeuw. Is deze vogel te herkennen door de kleinere, dunnere snavel dan de zilvermeeuw en een meer ronde kop en sierlijke vorm, snellere bewegingen en actievere vlucht. De kop is wit en in de winterenigzins grijs gestreept; snavel en poten grijsgroen. De snavel is valer in de winter met een dunne donkere band. Opvallende witte handpentoppen. Grijze bovenvleugel, witte ondervleugel.

  • tafeleend
    tafeleend
    tafeleend

    tafeleend
    / aythya ferina /

    Algemeen voorkomende eendensoort. Lengte: 42 – 49 cm. Spanwijdte: 67 – 75 cm. Periode: na het broedseizoen trekken de mannetjes al ‘s zomers weg. Noord- en Oost Europese tafeleenden overwinteren in Zuid- en Westeuropa.

    Het is een middel grote eend met een korte staart, vrij lange hals, een lange snavel die vloeiend overgaat in een schuin voorhoofd. De kop (mannetje) is kastanje bruin , de snavel zwart met een licht grijsblauwe band over het voorste deel. Roodachtig oog. De borst is glanzend zwart, flanken, mantel en rug zijn licht grijs, “achtersteven” is zwart. Ik zag hem december 2011 op de grote vijver achter het Wetland.

  • tapuit
    tapuit
    tapuit

    tapuit
    / oenanthe oenanthe /

    Broedt in open, stenig of zandig terrein. Lengte: 14 tot 17 cm. Periode: zomergast mrt/ okt.

    De bovenzijde van het mannetje is grijs met een witte stuit. De onderkant is vaal wit. De vleugels zijn zwart. De staart heeft een zwarte staartband en is in de vlucht te zien als een T- vorm. Brede zwarte oogstreep en een witte wenkbrauwstreep. Het vrouwtje is geheel beige gekleurd en heeft een minder duidelijke koptekening. Poten relatie lang en zwart. De tapuit zie je vaak op de grond. Zit vaak in een rechtopstaande houding op een kleine verhoging in het landschap. De tapuit broedt ver in het noorden (foto is in IJsland gemaakt), maar overwintert ten zuiden van de Sahara.

  • tjiftjaf
    tjiftjaf
    tjiftjaf

    tjiftjaf
    / phylloscopus collybita /

    Kleine onopvallende boomkruin bewoner. Lengte: 10 tot 12 cm. Periode: maart – oktober.

    Bruine bovenzijde en een lichte onderkant. Dunne gele wenkbrauwstreep. De poten zijn donkergrijs tot bruin. Lijkt sterk op de fitis, maar heeft donkere poten, terwijl die van de fitis licht zijn. Het beste kenmerk van de tjiftjaf is het geluid dat hij voortbrengt: “tjiftjaf”. In de winter trekt de tjiftjaf naar het middellandse zeegebied, maar ook in Nederland blijven sommige vogels overwinteren.

  • toppereend
    toppereend
    toppereend

    toppereend
    / aythya marila /

    Overwintert in groepen op zee en groot binnenwater, maar ook hier in de vijvers zijn ze te zien, vooral van oktober tot april. Lengte 42 – 51 cm. Spanwijdte 71 tot 80 cm.

    Het is een middelgrote eend met een vrij grote ronde kop en schuin in het water aflopende “achtersteven”. De kop is zwart met een groene glans. De iris is geel, borst en ”achtersteven” zijn zwart, de flanken wit en de rug grijs. Mannetje lijkt op de kuifeend, maar dan zonder kuif. De snavel is lichtgrijs met een kleine waaiervormige vlek op de snavelpunt (nagel).

  • torenvalk
    torenvalk
    torenvalk

    torenvalk
    / falco tinnunculus /

    Kleine veel voorkomende roofvogel. Lengte: 31 tot 37 cm. Spanwijdte: 68 tot 78 cm. Periode: het hele jaar door te zien.

    Lichtbruine rug, bij het mannetje getekend met donkere vlekken, bij het vrouwtje met donkere dwars- banden. Donkerbruine slagpennen. De staart is voorzien van een donkere eindband en bij het mannetje grijs. In de vlucht zie je korte spitse vleugels en een lange rechte staart. Je ziet ze vaak stilstaan in de lucht (bidden). Door het spreiden van de staart en het klappen van de vleugels kan de torenvalk zijn kop stilhouden in de lucht, waardoor hij bewegingen op de grond beter kan waarnemen.

  • tuinfluiter
    tuin
    fluiter
    tuinfluiter

    tuinfluiter
    / sylvia borin /

    Lengte 13, 14.5 cm. Broedt in open bossen met veel struiken, bosranden, boomgaarden, parken met dichte ondergroei en verwilderde tuinen. Zomergast ( in Nederland midden april tot oktober). Overwintert in tropisch Afrika. Schuw. Laat zich meestal maar kort zien. Nestelt laag in struik of dichte kruidlaag.

    Opvallende zwaar gebouwde, bruingrijze iets groenig getinte zanger zonder echte veldkenmerken. Vrij dikke, stompe blauwachtig grijsbruine snavel met iets donkerdere punt. Vrij krachtige lichtgrijze poten. Onduidelijk lichte oogring (donker oog) en onopvallende korte lichte wenkbrauwstreep. Kenmerkende zuiver grijze tint op zijhals. Roep: De zang bestaat uit prachtige 3-8 seconden lange strofen van snelle lage tonen, soms wat lijsterachtig en dan weer rauwer, zonder duidelijke melodie.

  • turksetortel
    turkse
    tortel
    turksetortel

    turksetortel
    / streptopelia decaocto /

    Algemeen voorkomende duif. Lengte: 31 – 34 cm. Broedt in en om boerderijen, dorpen en steden op plaatsen waar voldoende dicht bebladerde bomen staan om te nestelen. Heeft zich sinds 1950 vanuit Oost Europa uitgebreid over de rest van Europa. Voedsel hoofdzakelijk plantaardig.

    Herkenning: middelgrote langgerekte, vrij sierlijke duif met een lange staart en een licht verenkleed. Gemakkelijk te herkennen aan smalle zwarte, met wit omrande dwarsband op de zijhals. Vrij effen bleek-beige grijs met iets bruinere tint op de bovenkant en een blauw grijze tint op de grote dekveren. De staartrand is wit.

  • vink
    velduil
    velduil

    velduil
    / asio flammeus /

    Lengte 33 – 40 cm. Spanwijdte 95 – 105 cm.. Broedt op heidevelden en in duinen, in struikgewas tussen weilanden, in moerassen en hoogvenen en op open plekken in het bos. Deels trekvogel in N. Europa, standvogel elders in Europa. In Nederland broedvogel van waddeneilanden. Deels overdag actief. Voedsel bestaat voornamelijk uit muizen. Broedt op de grond.

    Herkenning: middelgroot, met zeer lange, smalle en spitse vleugels en in verhouding kleine ronde kop. Oorpluimen klein en zelden zichtbaar. Verenkleed licht geelbruin en beigewit. zwaar gestreept. Kan bij bepaalde lichtinval zeer licht indruk maken, bijvoorbeeld bij bewolkt weer of schemering. Licht gezicht met duidelijk zwarte vlekken rond gele ogen. Vlucht veerkrachtig en schommelend met roeiende vleugelslagen in slow motion en stijve vleugels.

  • vink
    vink
    vink

    vink
    / fringilla coelebs /

    Algemeen voorkomende zangvogel. Lengte: 14 tot 16 cm. Periode: het hele jaar door te zien.

    Het mannetje heeft een bruine rug en de onderzijde is rozebruin. Kruie en achterhoofd zijn blauwgrijs. Bovenzijde vrouwtje is grijsgroen en de onderkant wit. Zowel het mannetje als het vrouwtje hebben witte vleugelstrepen. De vink heeft de grote krachtige snavel van de zaadeter. Vinken eten ‘s zomers echter veel insecten en ook de jongen krijgen eerst insecten te eten. In de winter trekken de Nederlandse vinken naar het zuiden, terwijl vogels uit het noorden in Nederland overwinteren. Vinken eten ‘s winters vrijwel alleen zaden.

  • visdief
    visdief
    visdief

    visdief
    / sterna hirundo /

    Slanke vogel met sierlijke vlucht en snelle stootduik. Lengte: 34 tot 37 cm. Periode: maart – november.

    De bovenkant is lichtgrijs en de onderkant is wit. Zwarte kopkap en een rode snavel met zwarte punt. De vleugles zijn lang en smal en de staart is gevorkt. De visdief broedt in Nederland zowel langs de kust als in het binnenland. Nest op het strand of aan de oever. Is vaak boven water te zien, waarbij de snavel naar beneden wijst. Zo speurt hij naar vissen die zich vlak onder het wateroppervlak bevinden. Ze trekken in de winter weg naar Afrika.

  • vlaamsegaai
    vlaamse
    gaai
    vlaamsegaai

    vlaamse gaai
    / garullus glandarius /

    Algemeen voorkomend. Lengte: 32 tot 35 cm. Periode: het hele jaar door te zien.

    Het verenkleed is grijsbruin en het gezicht is lichter. Duidelijk zichtbare snorstreep. Zwarte vleugel met een deel witte en een deel blauw met zwart gestreepte veren. De staart is zwart en de stuit is wit. De vogel voedt zich met vruchten, noten en legt hiervan een wintervoorraad aan. Hij kan niet alles terugvinden en speelt op die mannier een belangrijke rol bij de uitbreiding van bossen. Achter de Duinvoet in het open gebied zie je ze vaak van de bomen in de zuidoosthoek naar de bomen in de zuidwesthoek vliegen.

  • vuurgoudhaantje
    vuurgoud
    haantje
    vuurgoudhaantje

    vuurgoudhaantje
    / regulus signicaillus /

    Lengte 9-10 cm.

    Broedt in loof- en gemengd bos, maar komt ook voor in naaldbomen. Korteafstands trekker. Gedrag als goudhaan. Valt net als goudhaan op door het geluid. Zeer klein formaat. Verschilt van goudhaan door opvallend witte wenkbrauwstreep en zwarte oogstreep. De zijhals heeft bovendien een okerkleur en is niet grijsgroen zoals bij de goudhaan. Kruin als bij goudhaan, maar zwarte zijkruinstrepen komen samen op voorhoofd. Het mannetje heeft een oranje kruin.

  • waterhoen
    waterhoen
    waterhoen

    waterhoen
    / gallinula chloropus /

    Komt minder vaak voor dan de vaak ermee verwarde meerkoet. Lengte: 27 tot 31 cm. Periode: het hele jaar door te zien.

    Het verenkleed is bruinzwart en de snavel is rood met een gele punt die overgaat in een rode voorhoofdsplaat. Over de flanken loopt een onregelmatige lichte streep. De onderstaart dekveren zijn wit. De tenen zijn gelobd en geelgroen van kleur. Het is een vrij schuwe watervogel die zich meestal bij de oevervegetatie bevindt. Voedsel bestaat zowel uit plantendelen als uit verschillende insecten en weekdieren. Zoekt ook vaak voedsel op het land en op begroeide oevers.

  • waterpieper
    water
    pieper
    waterpieper

    waterpieper
    / anthus spinoletta /

    Lengte: 15,5 tot 17 cm. Algemeen voorkomende zangvogel.

    Broedt in berggebieden op kale hellingen en overwintert in laagland (incl. Nederland) aan de oevers van meren, rivieren en in moerassen. Lijkt veel op de Graspieper, maar is iets groter. Heeft grijze tot roodbruine poten. Borst en buik zijn vaal wit en de rug is bruin. De Graspieper heeft gele poten, beige borst en buik met olijftinten en een rug die iets donkerder is. De wenkbrauwstreep van de Waterpieper is duidelijker zichtbaar, maar de bruine rugstrepen weer iets minder. De buitenste staartpennen zijn zuiver wit.

  • waterral
    waterral
    waterral

    waterral
    / rallus aquaticus /

    Bewoner van rietlanden en moerassen. Lengte: 23 tot 26 cm. Periode: het hele jaar door.

    Kop, borst en onderzijde zijn donkergrijs. De bovenkant is bruin met een donkere tekening. Op het achterste deel van de flanken zie je zwart- witte banden. De snavel is lang en rood. Komt voornamelijk voor in dichte rietvelden en moerassen. Het lichaam is aan de zijkanten enigszins afgeplat, zodat hij gemakkelijker langs rietstengels kan bewegen. Niet te verwarren met de waterhoen door bruinen rug en lange snavel. Alleen bij strenge vorste trekt de vogel naar het zuiden. In ook herkenbaar aan het geluid: gegil als van een speenvarken! Gespot bij en door bewoners van het Wetland.

  • watersnip
    watersnip
    watersnip

    watersnip
    / gallinago gallinago /

    Lengte: 23 tot 28 cm en spanwijdte 39 tot 45 cm. Broedt in moerassen, veengebieden en natte weilanden. Tijdens de trek en in de winter te vinden in modderpoelen en sloten; vaak in kleine groepjes.

    Middelgrote steltloper. Buiten proportioneel lange en rechte snavel, vrij plompe vorm, korte poten, ineengedoken houding en gestreepte kop. Verenkleed bruin met krachtig gestreepte rug en kop. Witte ongebandeerde buik. Vliegt, als je hem nadert, circa 10 tot 15 cm op en verdwijnt in een snelle zig-zag vlucht. Je ziet dan een smalle witte band aan de achterkant van de vleugel. Deze is gefotografeerd bij het slootje langs de rioolput van het Wetland in een groepje van vier.

  • wildeeend
    wilde
    eend
    wildeeend

    wilde eend
    / anas platyrhynchos /

    Meest algemeen voorkomende eend in Nederland. Lengte: 50 tot 60 cm. Periode: het hele jaar door te zien.

    Het mannetje heeft een glanzend groene kop met een witte halsband. De borst is donkerbruin en de rest is grijs. Op de vleugel een blauw veld met een witte rand. Oranje poten en zwarte gekrulde staartveren. Aan het eind van de zomer verliest het mannetje zijn prachtkleed en lijkt dan op een donker gekleurd vrouwtje, bruin met donkere vlekken. De wilde eend komt vooral voor in de buurt van stilstaand water en bouwt zijn nest in de dichte begroeiing langs de waterkant.

  • wildeeend
    wilde
    zwaan
    wilde zwaan

    wilde zwaan
    / cygnus cygnus /

    Dit is een overvlieger op circa 200 m.
    Lengte 140 tot 160 cm, lengte van het lichaam 75 cm, spanwijdte 205 tot 235 cm. Een grote vogel dus. Broedgebied bij kleine meren, veenmoerassen op de toendra’s in het hoge noorden. Komt steeds vaker zuidelijker. Trekt naar open water in NW Europa maar is vrij schaars in Nederland.

    In tegenstelling tot de knobbelzaan, die ongeveer even groot is en net zo wit als de wilde zwaan, houdt de wilde zwaan de hals rechtop. De wilde zwaan is ook te onderscheiden door de grotendeels gele snavel met zwarte punt.

  • winterkoning
    winter
    koning
    winterkoning

    winterkoning / troglodytes troglodytes /

    Kleine bruine vogel met rechtop staande staart. Lengte: 9 tot 11 cm. Periode: Het hele jaar door te zien.

    De bovenkant is roodbruin en de onderkant een lichtere kleur bruin. De staart wordt meestal omhoog gehouden. Lichte wenkbrauwstreep. Donkere dwars streepjes op het lichaam. De vogel beweegt zich meestal laag in het struikgewas of onder een andere beschutting en is erg beweeglijk. De vlucht is opvallend snel, waarbij de vleugels een snorrend geluid veroorzaken. Het mannetje maakt meerdere, vrijwel geheel gesloten nestjes, waarvan het vrouwtje er een uitkiest om aan de binnenkant te bekleden met veertjes en ander zacht materiaal.

  • wintertaling
    winter
    taling
    wintertaling

    wintertaling
    / anas crecca /

    Lengte: 34 tot 38 cm. Broedt zowel op zoet als op brak water, aan rivieren en ondiepe vegetatierijke zeekusten. Buiten broedtijd vaak in grote groepen.

    Herkenning: kleinste eend. Vliegt zonder moeite stijl omhoog uit het water op. In de zomer heeft een volwassen dier een kastanje bruine kop met groene zijden, omsloten door een smalle gele lijn. De zijden van de anaalstreek zijn geel omgeven door een zwarte band. Horizontale witte lijn boven langs de flank. Flanken en rug grijs, borst vaaggeel met grijze spikkels. Het vrouwtje is bruin met donkere vlekken en heeft een lichte witte vlek bij de anaalstreek en een groene vlek aan de achterkant van de vleugel.

  • witgat
    witgat
    witgat

    witgat
    / tringa ochropus /

    Lengte 20 tot 24 cm en spanwijdte 39 tot 44 cm. Broedt in ondergelopen bossen, hoogvenen en moerassen. In Nederland vooral doortrekker en in klein aantal overwinterend. Te vinden langs sloten, vijvers en langs oevers van meren.

    Vaak opvliegend uit een sloot, plasje of oeverbegroeiing. De zwartachtige vleugel (ook de onderkant) en witte stuit vallen dan op. Tijdens het vliegen steken de poten een klein stukje buiten de staart. De witte staart heeft enkele brede zwarte banden. Donkere, scherp van de witte buik afgescheiden borstband. Witte oogring en niet achter het oog doorlopende witte wenkbrauwstreep. Vrij lange snavel. Gespot bij het slootje langs het Wetland.

  • witkopstaartmees
    witkop
    staartmees
    witkopstaartmees

    witkop staartmees
    / aegithalos caudatus caudatus /

    Ondersoort van de staartmees.

    In Nederland aangemerkt als zeldzaam. Het uiterlijk is bijna hetzelfde als die van de gewone staartmees, maar – zoals de naam al doet vermoeden – deze heeft een totaal witte kop en een wittere onderzijde dan de gewone staartmees. Gespot achter de woningen van Duinvoet, waar regelmatig een groepje staartmezen heen en weer vliegt.

  • wittekwikstaart
    witte
    kwikstaart
    wittekwikstaart

    witte kwikstaart
    / motacilla alba /

    Algemeen voorkomend. Lengte 16 tot 19 cm. Periode: zomergast: april/ oktober.

    Bovenkant grijs en de onderkant en staartzijden wit. Kruin, keel en gedeelte van de borst zijn zwart. De rest van de kop is wit. Typisch voor de kwikstaarten zijn de bewegingen van de kop en het wippen van de lange staart. In de winter trekken de kwikstaarten naar het zuiden, maar veel vogels uit het noorden en oosten trekken niet verder dan Westeuropa.

  • ijsvogel
    ijsvogel
    ijsvogel

    ijsvogel
    / alcedo atthis /

    Niet algemene zeer opvallende vogel. Lengte: 17 tot 20 cm. Periode: het hele jaar door te zien.

    Bovenkant helder blauw met metaal glans. De onderkant is oranje- geel. De keel is wit. Over het oog loopt een oranje- gele oogstreep die overgaat in een witte vlek. De staart is kort. De kop is groot en zit dicht op het lichaam. Grote rechte snavel. Kleine visjes vormen het belangrijkste voedsel. Daarom komt de vogel voor bij helder visrijk water. Jaagt vanaf een post boven het water en duikt recht naar beneden om de vis te pakken. Populatie is gevoelig voor strenge winters. Gespot bij het Wetland bij de aan het water liggende terrassen.

  • zanglijster
    zang
    lijster
    zanglijster

    zanglijster
    / turdus philomenos /

    Algemene zangvogel die in zijn gedrag aan de merel doet denken. Lengte: 20 tot 22 cm. Periode: het hele jaar door te zien.

    De bovenkant is bruin en de onderkant is vaal wit en bedekt met bruine pijlachtige vlekken. De onderkant van de vleugel is geelbruin. Zang van de zanglijster is ritmisch en bestaat uit korte strofen die enkele keren worden herhaald. Voedsel bestaat uit wormen en slakken. De lijster slaat de slakken tegen steeds de zelfde steen aan stukken.

  • zilvermeeuw
    zilver
    meeuw
    zilvermeeuw

    zilvermeeuw
    / larus argentatus /

    Talrijk, zowel aan de kust als in het binnenland. Lengte: 54 tot 60 cm. Spanwijdte: 123 tot 148 cm. Periode: het hele jaar door te zien.

    Het verenkleed is voornamelijk wit en de rug is lichtgrijs. De vleugelpunten zijn zwart met witte vlekken. De snavel is geel met een rode vlek bij de punt aan de onderkant. De iris is helder geel en de poten zijn roze. Het duurt ca. vier jaar voordat de vogel volwassen is. Tot die tijd toont het verenkleed bruine vlekken welke langzaam verdwijnen. Het is een alleseter. In de winter zoeken ze hun voedsel vaak op vuilnisbelten.

  • zomertortel
    zomer
    tortel
    zomertortel

    zomertortel
    / streptopelia tur tur /

    Lengte 25 –27 cm. spanwijdte 49 – 55 cm.

    Broedt in open loofbossen en boomgroepen met rijke ondergroei in laagland, vooral in landbouw gebieden. Ook in meer open terrein met dicht struikgewas en verspreide bomen. Zomergast (meest april tot september), overwintert zuidelijk van de Sahara. Vrij schuw en houdt zich vaak in bomen verscholen. Wordt zwaar bejaagd tijdens de trek over het Middellandse-Zeegebied.
    Herkenning: Vrij kleine slanke duif met snelle, ietwat rukkende vlucht. Heldere oranje-bruine veerzomen en grijsblauwe baan op midden van bovenvleugel. Tijdens de vlucht valt de witte staartband op. Geluid: diep hard spinnend turrrrrr turrrrr turrrrr, meermalen herhaald.

  • zwarte kraai
    zwarte
    kraai
    zwartekraai

    zwarte kraai
    / corvus corone /

    Vaak te zien in paren of kleine groepen. Lengte: 44 tot 51 cm. Spanwijdte: 84 tot 100 cm. Periode: het hele jaar door te zien.

    Geheel zwarte vogel met een enigszins glanzend verenpak. De zwarte snavel buigt pas bij de punt naar beneden. Net als de meeste kraaiachtigen blijven het mannetje en het vrouwtje hun leven lang bij elkaar. Het zijn alleseters. In de lucht boven de bomenpartij aan de zuidoostkant van de Houtribhoogte zie je regelmatig “luchtgevechten” tussen kraaien en buizerds. Een spectaculair gezicht.

  • zwarte mees
    zwarte
    mees
    zwarte mees

    zwarte mees
    / parus ater /

    Lengte 10 – 11.5 cm.Broedt voornamelijk in naaldbossen, vaak met enkele hoge sparren; plaatselijk ook in dennenbos of in gemengd bos (onder meer in Ierland ook loofbos). Standvogel maar zwerft in najaar net als de pimpelmees rond. Noordelijke populaties trekken in sommige jaren in grote aantallen naar het zuiden. Zoekt voedsel ( zaden, insecten en spinnen) vooral in boomtoppen en buitenste takken. Nestelt in boomholte; soms tussen wortels of in rotsspleet.
    Herkenning: Lijkt op kleine bijna kleurloze koolmees met zwarte kop en grote witte wangvlek en witte vleugelstreep. Is echter anders geproportioneerd, met grotere kop en dikker achterhoofd. Onderdelen grauw bruinwit in plaats van geel, zonder zwarte middenstreep.. In achteraanzicht is beste kenmerk te zien; een ovale witte vlek op het achterhoofd. Kan bij enige opwinding kleine piekige kuif opzetten. Mantel is blauwgrijs. Heeft naast witte vleugelstreep van de toppen van de grote dekveren een tweede vleugelstreep, gevormd door “kralen”op de middelste dekveren.

  • zwarteroodstaart
    zwarte
    roodstaart
    zwarteroodstaart

    zwarte roodstaart
    / phoenicurus ochruros /

    Broedt in steden, havens en industrie terreinen. Lengte: 13 tot 15 cm. Periode: het hele jaar door, maar niet talrijk van november tot februari.

    De bovenkant is blauwgrijs en de kruin is lichtgrijs. De borst en de keel zijn zwart. Het vrouwtje is grijsbruin van kleur. Beide geslachten hebben een roestbruine stuit en staart. De poten zijn zwart. Insecten vormen het hoofdvoedsel van de roodstaart. De vogel zit vaak op een zitpost en vliegt vervolgens naar de grond om insecten op te pikken. Regelmatig gespot in het open gebied vlak achter de huizen van de Duinvoet.

  • zwartezwaan
    zwarte
    zwaan
    zwartezwaan

    zwarte zwaan
    / cygnus atratus /

    Broedt van origine in Australië. Lengte: 110 tot 140 cm.

    Geïntroduceerde, in het wild overlevende populaties komen onder anderen voor in Engeland, IJsland, Nederland en Polen.Een geheel zwarte vogel met een rode snavel. Voor het eerst gezien op 1 februari 2013 in de vijver aan het eind van het Wetland.

  • zwartkop
    zwartkop
    zwartkop

    zwartkop
    / sulvia atricailla /

    Lengte: 13,5 - 15 cm. Broedt in schaduwrijk bebost gebied. Trekvogel in Noord- en Oost-Europa over korte afstanden of standvogel in Zuid- en West-Europa. In Nederland te zien van maart tot november.

    Vrij stevig gebouwde vogel. Bovenzijde vuilgrijs, onderzijde licht olijfgrijs. Het mannetje heeft een kleine zwarte kap (reikt tot de bovenkant van het oog) en heeft een relatief grote kop. Het vrouwtje en de jongen hebben een bruine kap. Grijze poten en een grijze snavel. Deze Zwartkop werd waargenomen op 23 april 2013 langs het voetpad bij de speeltuin van Park Houtribhoogte.

  • zwartkop meeuw
    zwartkop
    meeuw
    zwartkopmeeuw

    zwartkopmeeuw
    / larus menalocephalus /

    Lengte 37- 40 cm, spanwijdte 94 – 102 cm. Broedt in kolonies, vaak samen met kokmeeuwen. In Belgie en Nederland schaarse, maar in aantal toenemende broedvogel.

    Herkenning:  Iets groter dan de kokmeeuw, met kortere, dikkere, stompere snavel en minder puntige, bredere en kortere vleugels en langere poten. Adult: onmiskenbaar met geheel witte slagpennen (zonder donkere uiteinden) , zeer lichtgrijze bovendelen, bloedrode snavel en poten en grote zwarte kopkap.

  • title
    ©
    disclaimer
    title

    © auteursrechten

    Voor zover bekend worden geen auteursrechten geschonden met de publicatie van de foto's in deze digitale vogelgids. Mocht dit onverhoopt toch het geval zijn, dan bij voorbaat excuses en wordt de rechthebbende verzocht zich te melden bij de samensteller en / of de webmaster.

Top